U bent hier:Home Werkveld Overzicht onderzoeksgebieden Vingersporenonderzoek
Vingersporenonderzoek houdt zich bezig met het zichtbaar maken van vingerafdrukken. Een andere benaming is 'dactyloscopie', een van oorsprong Griekse term die 'kijken naar vingers' betekent. Bij het NFI worden vingersporen (= vingerafdrukken) zichtbaar gemaakt. De onderzoekers geven een oordeel over de bruikbaarheid met betrekking tot identificatie. De eigenlijke identificatie vindt plaats bij de politie.
Vingersporen kunnen zich op een zeer grote verscheidenheid aan voorwerpen bevinden, zoals verpakkingsmateriaal, geïmproviseerde explosieven, dreigbrieven of steekwapens. Bijna altijd moeten op hetzelfde voorwerp meerdere soorten forensische (deel)onderzoeken worden uitgevoerd. Het is dan van groot belang dat de diverse deelonderzoeken - waaronder het vingersporenonderzoek - in de juiste volgorde plaatsvinden zodat geen sporen worden vernietigd of geïntroduceerd.
In de huid van vingers en handpalmen bevinden zich lijnvormige verhogingen, de papillairlijnen, met daarin kleine openingen (poriën). Via de poriën verspreidt transpiratievocht zich over de papillairlijnen en wordt vervolgens op voorwerpen overgebracht. Hierbij kan een latente - met het blote oog niet waarneembare - vingerafdruk achterblijven.
Menselijk zweet is een complex mengsel van tientallen chemische verbindingen als aminozuren, vetten, zouten en vooral water. Vanzelfsprekend worden ook aanwezige verontreinigingen als vingerafdruk achtergelaten: cosmetica, smeermiddelen of bloed
Het lijnenpatroon van een vingerafdruk is voor ieder persoon uniek en onveranderlijk, óók bij eeneiige tweelingen. Identificatie van een vingerafdruk vindt plaats door vergelijking van dactyloscopische kenmerken die in het lijnenpatroon van een vingerafdruk worden aangetroffen. In Nederland zijn voor een identificatie ten minste 12 dactyloscopische punten noodzakelijk.
Detectietechnieken zijn gebaseerd op een optische, fysische of chemische reactie met componenten die in een latente vingerafdruk aanwezig zijn. De onderzoeker probeert een contrastverschil te krijgen tussen de vingerafdruk en de ondergrond waarop deze zich bevindt, bijvoorbeeld door een kleurreactie. Afhankelijk van de ondergrond wordt voor een bepaalde detectietechniek gekozen; bij het NFI worden ongeveer twintig verschillende detectietechnieken toegepast die vaak na elkaar kunnen worden gebruikt. Een keuze voor de juiste volgorde is erg belangrijk.
Optische technieken zijn niet-destructief. Met verschillende belichtingstechnieken wordt een contrastverschil verkregen. De onderzoeker maakt gebruik van al dan niet gepolariseerd licht. Met een diffuse lichtbron of een harde gerichte lichtbundel wordt zogenaamd scheerlicht of totaal reflecterend licht toegepast. Doorvallend licht wordt bij transparante voorwerpen toegepast. Ook kan het NFI met ultraviolet en infrarood licht met het blote oog niet waarneembare vingerafdrukken door middel van reflectie of fluorescentie detecteren. Hierbij maken de onderzoekers gebruik van speciale filters.
Poedertechnieken zijn van oudsher bekend. Het NFI maakt weinig gebruik van poedertechniek, omdat deze voornamelijk worden toegepast op relatief 'verse' sporen. Een zeer gevoelige techniek is de metaalopdampmethode waarbij kleine hoeveelheden goud en zink worden verdampt. Deze methode levert ook bij oude sporen vaak nog zeer goede resultaten. Sommige technieken, zoals de methylviolet-methode, zijn erop gebaseerd dat kleurstoffen worden geabsorbeerd door de vettige bestanddelen van een vingerafdruk.
Diverse chemicaliën reageren met aminozuren die zich in een vingerafdruk bevinden. Voorbeelden zijn ninhydrine en DFO. Met de laatstgenoemde methode verkrijgt het NFI vingerafdrukken die met een speciale lichtbron en speciale filters fluoresceren en als zodanig kunnen worden gefotografeerd. Met een zogenaamde 'fysische ontwikkelaar' kunnen vingerafdrukken zichtbaar worden gemaakt op bijvoorbeeld papier dat nat is geweest. Deze methode is gebaseerd op de eigenschappen van metallisch zilver om neer te slaan op de vettige componenten van een vingerafdruk.
Het NFI beoordeelt de zichtbaar gemaakte vingerafdrukken op bruikbaarheid met betrekking tot identificatie. Van zichtbaar gemaakte vingerafdrukken worden foto’s gemaakt, omdat de zichtbaarheid van het origineel op termijn vaak afneemt. De foto's van de afdrukken stuurt het NFI naar de technische recherche van de regiokorpsen. Daar worden zij vergeleken met afdrukken in een lokale vingerafdrukcollectie of met de landelijke geautomatiseerde collectie HAVANK.