U bent hier:Home Werkveld Overzicht onderzoeksgebieden Bloedspoorpatroononderzoek
Bij forensisch onderzoek van misdrijven vinden de onderzoekers vaak (sporen van) bloed. Bloedsporen kunnen waardevolle informatie geven over wat er op de plaats van het misdrijf (plaats delict) kan zijn gebeurd. Daarvoor analyseren de onderzoekers de uiterlijke kenmerken van de bloedsporen, zoals grootte en vorm, en de verspreiding van bloedsporen op de plaats delict en op bewijsstukken.
De bloedsporen op een plaats delict zijn vaak ingewikkeld. De onderzoeker gaat stapsgewijs te werk en bepaalt eerst het totaalbeeld. Daarna kijkt hij naar de afzonderlijke patronen. De bloedsporen worden ook uitgebreid gefotografeerd. De onderzoeker analyseert niet alleen bloedsporen op de plaats delict, maar ook bloedsporen die op voorwerpen zijn gevonden, zoals kledingstukken. Die kunnen immers ook iets zeggen over wat er kan zijn gebeurd.
Hoe kan een onderzoeker uit bloedsporen en bloedspoorpatronen afleiden wat er gebeurd kan zijn? Vloeibaar bloed gedraagt zich, net zoals andere vloeistoffen, volgens natuurkundige wetten. Hierdoor reageert bloed op een voorspelbare manier als het wordt blootgesteld aan externe krachten of handelingen, zoals een slag in vloeibaar bloed. Dan ontstaan bloedspoorpatronen die karakteristiek zijn voor een dergelijke handeling. Dat vormt de basis van bloedspoorpatroononderzoek, want doordat zo’n patroon bepaalde karakteristieken vertoont, kan het patroon inzicht geven in de kracht of handeling waardoor het kan zijn veroorzaakt.
Door bloedspoorpatroononderzoek kan de onderzoeker dus afleiden hoe de onderzochte bloedsporen kunnen zijn ontstaan. Zo kan de vorm van een bloedspat iets zeggen over de ‘bewegingsrichting’ van de bloeddruppel waaruit de bloedspat is ontstaan; is de bloeddruppel bijvoorbeeld recht of schuin naar beneden gevallen? Hoe ver is de bloeddruppel gevallen? En komt dat doordat het slachtoffer is geduwd, of doordat hij ergens mee geslagen is, of door iets anders? Is er door de bloedsporen geveegd of gelopen, en in welke volgorde?
Op basis van bloedspoorpatroononderzoek kan ook bepaald worden welke bloedsporen voor DNA-onderzoek gebruikt kunnen worden.
Bloedspoorpatroononderzoek wordt over het algemeen gebruikt om de volgende vragen te beantwoorden:
Om te achterhalen wat zich heeft afgespeeld op de plaats delict, worden bij het beoordelen van de resultaten van het bloedspoorpatroononderzoek ook de conclusies van ander forensisch onderzoek betrokken, zoals DNA-onderzoek en pathologie.
Bloedspoorpatroononderzoek kent zijn beperkingen. Onderzoek van bloedsporen en bloedspoorpatronen kan geen antwoord geven op de vraag op welk tijdstip deze sporen of patronen zijn ontstaan. Soms kan wel de volgorde van handelingen afgeleid worden, maar het is niet mogelijk om deze te dateren en te koppelen aan bepaalde tijdstippen. Toch kan in sommige gevallen de context van de zaak daarover wel een aanwijzing geven: bloed op een krant kan niet eerder op die krant terecht zijn gekomen dan de datum waarop die krant verscheen.
Voor het herkennen van een bloedspoorpatroon moet ook voldoende informatie beschikbaar zijn; als er maar een paar bloedspatten worden gevonden, kan hieruit meestal niet worden afgeleid hoe ze zijn ontstaan.
Het NFI onderscheidt op basis van de recente wetenschappelijke publicaties vier hoofdsoorten van bloedspoorpatronen. Die hoofdsoorten zeggen iets over hoe zo’n bloedspoor eruit ziet en over hoe zo’n spoor kan zijn ontstaan.
Deze hoofdsoorten zijn:
gewijzigde bloedspoorpatronen: bloedspoorpatronen die afwijken van hun oorspronkelijke kenmerken bijvoorbeeld door natuurlijke processen, zoals afbraak door micro-organismen, of door menselijk handelen, zoals het schoonmaken van de plaats delict door de dader.
Bloedspoorpatronen bevatten mogelijk informatie over wat er kan zijn gebeurd of gedaan op de plaats delict. Bij een onderzoek naar een misdrijf zijn er altijd verschillende hypothesen: veronderstellingen over wat er is gebeurd. De resultaten van bloedspoorpatroononderzoek kunnen worden bekeken in het licht van deze hypothesen. Zo kan bijvoorbeeld getoetst worden of een aangetroffen bloedsporenbeeld waarschijnlijker is als hypothese 1 waar is, of als hypothese 2 waar is.
Stel dat een getuige heeft verklaard dat het slachtoffer met een hamer op zijn hoofd is geslagen en daarna is gevallen. De onderzoeker kijkt dan hoe waarschijnlijk het aantreffen van de bloedsporen is, als de hypothese waarbij het slachtoffer inderdaad met een hamer is geslagen en daarna is gevallen, waar is. Bovendien kan worden onderzocht hoe waarschijnlijk het aantreffen van de bloedsporen is als een andere hypothese waar is, bijvoorbeeld dat het slachtoffer is gevallen en pas daarna met een hamer is geslagen.