U bent hier:Home Werkveld Overzicht onderzoeksgebieden Forensische archeologie
Forensische archeologie maakt gebruik van de methoden en technieken uit de reguliere veldarcheologie in combinatie met de methoden en technieken uit de forensische wetenschappen, in het kader van strafrechtelijk onderzoek.
Een forensisch archeoloog werkt altijd op verzoek en onder de regie van politie of het Openbaar Ministerie. Zijn primaire taak is het verlenen van forensisch-technische bijstand en het geven van adviezen bij:
Daarnaast houdt de forensische archeologie zich bezig met de ontwikkeling en verfijning van veldarcheologische methoden en technieken die relevant kunnen zijn tijdens forensisch-archeologisch zaakonderzoek, en met toegepast wetenschappelijk onderzoek naar ondergrondse menselijke ontbindingsprocessen (tafonomie).
Forensische exhumatie is het opgraven van een lichaam op een reguliere begraafplaats ten behoeve van forensisch (vervolg)onderzoek.
Forensische opgraving is het systematisch en controleerbaar uitgraven en bergen van een clandestien begraven lichaam of voorwerp. Het uitgraven gebeurt zodanig dat alle voor het forensisch vervolgonderzoek benodigde bodemkundige, botanische, entomologische, osteologische en tafonomische (ontbindingsgerelateerde) sporen tijdens de graafwerkzaamheden worden herkend, gedocumenteerd en - als ze voldoende bewijswaarde hebben- veiliggesteld.
Het veiligstellen van de overige sporen gebeurt vaak in samenwerking met de forensisch sporendeskundigen van het NFI. Elke forensische opgraving verloopt volgens een methodiek die is aangepast aan de plaatselijke fysieke omgeving en de vraagstelling. Welke methode men echter ook kiest, de ruimtelijke relatie tussen het lichaam of voorwerp, de kuilwand en de in de kuilvulling aangetroffen sporen, wordt altijd nauwkeurig gedocumenteerd.
Is het lichaam of voorwerp uit de kuil geborgen, dan worden de kuilwanden en de bodem van de kuil verder onderzocht op de aanwezigheid van gereedschapsafdrukken, schoenafdrukken, entomologische en botanische sporen. Een voorbeeld daarvan zijn plantenwortels die tijdens het graven van de kuil beschadigd zijn, maar zich na de beschadiging hebben hersteld. Het tijdsinterval waarbinnen dit herstel heeft plaatsgevonden, kan gebruikt worden om te bepalen wanneer de grafkuil werd gegraven.
Aan elke zoeking (een schouw) gaat idealiter een bureauonderzoek vooraf. Daarbij worden bodemkaarten, topografische kaarten en luchtfoto’s met GIS geraadpleegd. GIS is een computerprogramma waarin alle informatie met een ruimtelijke component snel kan worden geïntegreerd, geanalyseerd en gevisualiseerd.
Gedurende het veldonderzoek wordt de locatie visueel geïnspecteerd op afwijkingen in de vorm van grondverkleuringen, grondverzakkingen, waterhuishouding en/of vegetatie. Verdachte plekken worden met een metalen sonde geïnspecteerd, waarmee de grondweerstand in de bodem kan worden onderzocht. De gedachte hierachter is dat een bodemverstoring over minder weerstand beschikt dan de omliggende onverstoorde grond. Aanvullende methoden zijn het handmatig boren met een guts en het handmatig of machinaal afgraven van grondlagen. Soms worden er warmtecamera’s (infraroodcamera’s) gebruikt.
Bij een schouw werkt de forensisch archeoloog meestal samen met de medewerkers van het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD). Het geofysisch onderzoek wordt bijvoorbeeld uitgevoerd door specialisten van de Dienst Specialistische Recherche Toepassingen (DSRT). Bij recente vermissingen worden ook de gecertificeerde honden van de Dienst Operationele Ondersteuning (DOS) ingezet.
Het veiligstellen van niet-begraven gefragmenteerde menselijke resten is het inspecteren van een locatie op de bovengrondse aanwezigheid van gefragmenteerde - en met regelmaat sterk verbrande - menselijke resten.
Tijdens het onderzoek wordt de locatie visueel geïnspecteerd op de aanwezigheid van menselijke resten. Een aanvullende methode is het handmatig doorzoeken van de grondlagen op de locatie, om daarna de afgegraven grond te zeven en te inspecteren op de aanwezigheid van menselijke resten. In een aantal gevallen wordt er gebruik gemaakt van ultraviolet licht (UV-lichtbron) om de gefragmenteerde skeletdelen door middel van autofluorescentie (oplichten) te kunnen lokaliseren.
Bij dit type onderzoek werkt de forensisch archeoloog meestal samen met een forensisch antropoloog van het NFI.
Bij de datering van menselijk skeletmateriaal speelt de vraag of het te onderzoeken skeletmateriaal wel of geen forensische significatie heeft.
Soms is het mogelijk om het skeletmateriaal te dateren aan de hand van gebitsslijtage of de mate waarin botmateriaal bewaard is gebleven. Daarnaast wordt er gebruik gemaakt van contextdatering: het skeletmateriaal wordt gedateerd aan de hand van voorwerpen die bij het materiaal liggen of aan de hand van de grondlagen waarin het materiaal gevonden is. Het dateren met behulp van het radioactieve verval van koolstof in het botweefsel komt minder vaak voor. Ook bij het dateringsonderzoek werkt de forensisch archeoloog meestal samen met een forensisch antropoloog van het NFI.
De forensische archeologie biedt ondersteuning en advies bij de ruimtelijke documentatie en analyse van complexe sporen. Het gaat hierbij om het verlenen van assistentie bij het documenteren en analyseren van de ruimtelijke samenhang tussen de verschillende soorten forensische informatie en om ondersteuning en advies bij de integratie van deze informatie in GIS. GIS is een computerprogramma waarin alle informatie met een ruimtelijke component snel kan worden geïntegreerd, geanalyseerd en gevisualiseerd.
Bij dit type onderzoek werkt de forensisch archeoloog meestal samen met de meetkundige specialisten van het Landelijk Verkeers Bijstand Team (LVBT) van het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD).