U bent hier:Home Werkveld Overzicht onderzoeksgebieden Microsporen
Microsporen
Het menselijk oog kan details onderscheiden die ongeveer 100 micrometer (0,1 millimeter) uit elkaar liggen. Spoortjes met een grootte van ongeveer 100 micrometer zijn nog zichtbaar. Maar om er zinvol onderzoek aan te kunnen doen zijn hulpmiddelen zoals microscopen nodig. Sporen kleiner dan 100 micrometer heten microsporen. Bij microsporen gaat het vaak om kleine deeltjes zoals glas, vezels, pollen en schotresten. Het kan ook gaan om kleinere kenmerken van een groter geheel, zoals insluitsels in glas of kogelsporen op een deurpost, of om lage concentraties van elementen en (vooral organische) verbindingen in brandresten.
Bij het microsporenonderzoek gebruikt het NFI een groot aantal fysische, chemische en biologische analysetechnieken, waardoor een breed en integraal onderzoek aan microsporen mogelijk is. Voorafgaand aan het microsporenonderzoek wordt steeds vaker een gezamenlijk vooronderzoek uitgevoerd. Tijdens dit vooronderzoek worden de stukken van overtuiging breed onderzocht op de aanwezigheid van diverse microsporen. Deze microsporen kunnen dan na isolatie verder worden onderzocht binnen de hieronder genoemde deelgebieden. De kracht van het microsporenonderzoek ligt vooral in het leggen van relaties tussen personen, objecten en processen.
Deelgebieden binnen microsporenonderzoek:
- Glas,verf, tape en lijm
Door middel van vergelijkend onderzoek aan glasdeeltjes, verf of tapes kan een verdachte of verdacht object aan de plaats delict worden gekoppeld. Daarnaast kan merkherkennend onderzoek aan verf, tape en (koplamp)glas helpen bij de opsporing van verdachten; - Schotresten
Schotrestenonderzoek richt zich op de reconstructie van schietincidenten. Hierbij kunnen de volgende onderzoeken gedaan worden: schotresten op de handen en kleding van verdachten, schotbeschadigingen, schotverwondingen, bepaling van de schootsafstand en microsporenonderzoek op wapens en munitiedelen; - Niet-humane biologische sporen
Vergelijkend en identificerend onderzoek is mogelijk bij een breed scala aan biologische sporen zoals pollen, diatomeeën, bacteriën, planten en dieren. Onderzoek vindt plaats op basis van uiterlijke kenmerken of op basis van het DNA; - Vezels en textiel
Onderzoek naar overdracht van vezels bij bijvoorbeeld moord- en zedenzaken, en aanrijdingen en ongevallen. Daarnaast gaat het ook om onderzoek aan beschadigingen in textiel door bijvoorbeeld steken; - Overige deeltjes en microsporen
Met electronenmicroscopie is het mogelijk om diverse microsporen te onderzoeken op morfologie en chemische samenstelling, bijvoorbeeld metaal op bot, post-explosie-residuen en roet. - Element- en isotooponderzoek
Diverse materialen kunnen worden onderzocht op sporenelementen en isotopen daarvan. Dit zijn parameters die fabrikanten niet willen of kunnen controleren en die daarmee een krachtige vorm van chemische profilering zijn. - Chemische identificatie van (on)bekende stoffen
Onderzoek vindt plaats naar brandversnellende middelen in verbrandingsresten, maar ook de chemische screening en identificatie van onbekende stoffen en olievergelijking.
Behalve de methoden en technieken die binnen het NFI beschikbaar zijn, maakt microsporen via universiteiten en en andere instituten gebruik van zeer specialistische onderzoeksmogelijkheden.