U bent hier:Home DNA‑databank DNA‑thema's Grootschalig DNA-onderzoek
Van een grootschalig DNA-onderzoek is sprake wanneer een groot aantal mensen gevraagd wordt om op vrijwillige basis mee te werken aan een DNA-onderzoek. Een dergelijk onderzoek wordt ondernomen als bij het onderzoek naar de dader van een ernstig misdrijf niet voldoende aanwijzingen zijn die leiden naar individuele personen, maar er wel aanwijzingen zijn die aanleiding geven om te vermoeden dat de dader tot een bepaalde groep van personen behoort.
De groepsdefinitie kan vrij specifiek of heel algemeen zijn. Het kan bijvoorbeeld zijn dat er een signalement is van de dader, al dan niet gecombineerd met een daderprofiel. Het aantal personen dat in zo’n geval in aanmerking komt om uitgenodigd te worden om mee te doen zal dan beperkt blijven en niet hoger worden dan enkele tientallen of honderden personen.
Als daarentegen alleen wordt vermoed dat de dader de ‘plaats delict’ moet hebben gekend, dan zal de groepsdefinitie veel algemener zijn. De groep zou dan bijvoorbeeld bestaan uit alle mannen tussen de 20 en de 60 jaar die in een straal van 20 km om de plaats delict wonen. In zo’n geval kan het gaan om duizenden of zelfs tienduizenden personen.
De minister van Justitie heeft in januari 2001 de voorwaarden om een grootschalig DNA-onderzoek in Nederland uit te mogen voeren in een brief aan de Tweede Kamer voorgelegd.
De minister stelt hierin dat in zijn algemeenheid zeer terughoudend met het middel grootschalig DNA-onderzoek moet worden omgegaan. De inzet ervan onder een groep personen tegen wie geen individuele bezwaren bestaan om ze als verdachte aan te merken, vereist tenminste dat:
Er sprake is van een zeer ernstig misdrijf dat grote maatschappelijke onrust veroorzaakt.
Er geen verdachte is en er geen aanwijzingen meer zijn die met een redelijke inzet van middelen een voldoende kans bieden om te leiden tot opheldering van het delict.
Het redelijkerwijs kan bijdragen aan de opheldering van het delict. Allereerst moet het aannemelijk zijn dat het aangetroffen spoor een daderspoor betreft dan wel dat het onderzoek van dit spoor een substantiële bijdrage kan leveren aan de opheldering van het delict. Bovendien moeten er sterke, door feiten gestaafde aanwijzingen zijn dat het spoor afkomstig is van een persoon die zich binnen de geselecteerde kring van personen bevindt. Verder moeten de DNA-profielen van het aangetroffen materiaal voldoende onderscheidende kenmerken bevatten.
De kring van de te onderzoeken personen niet groter is dan in het belang van de waarheidsvinding noodzakelijk is. Daarbij spelen niet alleen de belangen van betrokkenen een rol, maar ook het algemene opsporingsbelang. Zo moet het beslag op de capaciteit van het NFI en de politie zo beperkt mogelijk zijn om ruimte te houden voor onderzoek in andere (belangrijke) zaken.
Het College van procureurs-generaal moet toestemming geven voor elk grootschalig DNA-onderzoek. Dit staat beschreven in de 'Aanwijzing prioritering DNA-onderzoeken'.
In de hierboven genoemde brief aan de Tweede Kamer geeft de minister van Justitie een aantal voor- en nadelen van grootschalig DNA-onderzoek:
Voordelen:
Grootschalig DNA-onderzoek kan een verdachte opleveren die anders als zodanig niet of minder snel in beeld zou zijn gekomen.
Het kan personen de mogelijkheid bieden aan te tonen dat zij niet (meer) als potentiële verdachte kunnen worden beschouwd. Het uitsluiten van bepaalde personen als potentiële verdachte kan ook voor het opsporingsonderzoek van belang zijn, omdat het onderzoek zich verder niet op de betreffende personen hoeft te richten.
Het uitvoeren van een grootschalig DNA-onderzoek kan een vastgelopen onderzoek – als gevolg van de publiciteit waarmee een dergelijk onderzoek gepaard zal gaan – nieuwe tips en aanwijzingen opleveren.
Het gebruik van dit middel kan in sommige gevallen efficiënter zijn dan het nog maandenlang doorrechercheren met een groot rechercheteam.
Nadelen:
Grootschalig DNA-onderzoek kan ertoe leiden dat de klassieke grondslagen van het strafrechtelijk opsporingsonderzoek – dat zich immers richt op personen tegen wie tot het individu herleidbare aanwijzingen bestaan voor een mogelijke betrokkenheid bij het delict – worden verlaten.
De eventuele sociale druk om mee te werken aan het onderzoek en de mogelijke verdenking vanuit de gemeenschap die men op zich laadt wanneer men weigert, kan maken dat iemand zich verplicht voelt mee te werken. Dit zet de vrijwilligheid van de deelname onder druk.
Een grootschalig onderzoek biedt nooit de zekerheid dat de dader zich ook daadwerkelijk onder de geselecteerde groep van personen bevindt.
Het is zeer waarschijnlijk dat naarmate in bredere kring bekend wordt wat een DNA-onderzoek betekent en onder welke voorwaarden het kan plaatsvinden, de kans dat derden, waaronder de dader, aan het onderzoek zullen meewerken, zal afnemen.
Grootschalige DNA-onderzoeken leggen een fors beslag op de capaciteit van vooral politie en NFI, tegen aanzienlijke kosten.
Van de personen die positief hebben gereageerd op een verzoek om vrijwillig mee te doen met een DNA-onderzoek, wordt met behulp van een steriel wattenstaafje wat wangslijm afgenomen. Dit wordt opgestuurd naar het NFI, dat dit gebruikt voor het bepalen van het DNA-profiel van de wangslijmdonor.
Dit DNA-profiel wordt alleen vergeleken met het profiel van de onbekende verdachte van het te onderzoeken misdrijf dat is aangetroffen op de plaats delict. Het wordt niet opgenomen in de DNA-databank. Als het DNA-profiel van de vrijwilliger niet overeenkomt met het profiel van de onbekende verdachte, dan vernietigt net NFI het DNA-profiel van de vrijwilliger en het wangslijm waaruit het is vervaardigd.
In Nederland zijn via grootschalig DNA-onderzoek in april en juni 2003 bij twee moord- en verkrachtingszaken verdachten geïdentificeerd. In de eerste zaak in St. Philipsland werd van 90 personen wangslijm afgenomen voor DNA-onderzoek en in de tweede zaak in Emmen eerst van 90 en daarna nog eens van 130 personen.
Bij alle andere grootschalige DNA-onderzoeken is helaas (nog) geen succes geboekt. De bekendste twee zijn de zaak van de Utrechtse serieverkrachter en de zaak Marianne Vaatstra. In deze laatste zaak is er door de familie van het slachtoffer en misdaadjournalist Peter R. de Vries op aangedrongen om een zeer grootschalig DNA-onderzoek uit te voeren bij alle mannen tussen de 20 en 45 jaar oud, die binnen een straal van 15 kilometer rondom de plaats delict wonen. Dat zijn er zo'n 20.000. Dit verzoek is noch door het Openbaar Ministerie noch door de rechter gehonoreerd.
Het allereerste forensische DNA-onderzoek dat in 1987 in Engeland werd uitgevoerd, was meteen een grootschalig DNA-onderzoek. In 1983 en 1986 werden in Engeland twee 15-jarige meisjes onder ongeveer dezelfde omstandigheden om het leven gebracht. In 1987, toen beide zaken al op een dood spoor zaten, besloot de politie om de in dat jaar door de geneticus Alec Jeffreys ontwikkelde ‘genetic fingerprinting technique’ in te zetten om de dader te vinden. Alle mannen zonder alibi tussen de 16 en de 34 jaar uit de omgeving van de plaats delict werden uitgenodigd om mee te doen aan het DNA-onderzoek. De politie verwachtte niet dat ze op deze wijze direct de dader zouden vinden. Ze ging ervan uit dat de dader zou proberen zich aan het DNA-onderzoek te onttrekken en zich op die manier verdacht zou maken. Dit bleek ook zo te zijn. In augustus 1987 vernam de politie van een vrouw dat zij in een pub een collega had horen vertellen dat hij de DNA-test voor iemand anders had gedaan. Via deze man kwam de politie op het spoor van Colin Pitchfork, de man die zich aan de test had willen onttrekken. Zijn DNA-profiel bleek overeen te komen met het DNA-profiel uit het biologisch sporenmateriaal dat was aangetroffen op de twee vermoorde meisjes.
In deze zaak werd ook voor het eerst iemand vrijgepleit dankzij DNA-bewijs. Een geestelijk gestoorde jongeman, die de moord op één van beide meisjes had bekend, kon als dader worden uitgesloten op basis van het feit dat zijn DNA-profiel niet overeenkwam met het DNA-profiel uit het biologische sporenmateriaal dat was aangetroffen op de vermoorde meisjes.
Sinds dit eerste grootschalige DNA-onderzoek zijn in Engeland (t/m april 2010) 185 van dit soort onderzoeken uitgevoerd. In 33 gevallen kwam door het onderzoek een verdachte naar voren.
De genetische vingerafdruk Hoofdstuk 5: Grootschalige DNA-onderzoeken (p 109-137) Auteur: Siem Eikelenboom; Uitgeverij: L.J. Veen, Amsterdam (ISBN 90 404 6032 3)
Verslag van een Duitse zaak waarin grootschalig DNA-onderzoek is toegepast op ongeveer 20.000 personen (P. Hochgartz. Kriminalistik, 2000 (5) 322-327. Zur Perseveranz bei Sexualmordem)
In Polen is via een grootschalig DNA-onderzoek een serieverkrachter opgespoord die tussen 1996 en 2000 meer dan 20 verkrachtingen en een moord heeft gepleegd. Het bijzondere van dit onderzoek was dat gebruik werd gemaakt van Y-chromosomaal DNA-onderzoek om verdachten te elimineren. Men kwam uit bij een man waarbij in het autosomale DNA-profiel overeenkomsten aanwezig waren bij 9 van de 10 onderzochte DNA-kenmerken hetgeen duidt op verwantschap met de dader. De dader bleek uiteindelijk een broer te zijn van de persoon die via het Y-chromosomale DNA-onderzoek was geïdentificeerd. (International Journal of Legal Medicine 2002, volume 116(5); 289-291)