VDM003 | Nederlands Forensisch Instituut

U bent hier:Home PDC Verdovende middelen Kwalificeren en kwantificeren  VDM003 Gehaltebepaling van veelvoorkomende drugs

Gehaltebepaling van veelvoorkomende drugsin poeders, tabletten en vloeistoffen

VDM003a

Sprint 6 in overleg

VDM003b

Sprint 30 in overleg Sprint 6 in overleg

Vraagstelling

Bij dit product is de vraag: “Wat is het gehalte van het aangetoonde middel in het materiaal?”.

Intakecriteria

  • FT-norm 120.01 dient in acht te zijn genomen. Deze kunt u vinden op PolitieKennisNet. Een monster van circa 2 gram is voldoende om het laboratoriumonderzoek te kunnen uitvoeren.
  • Motiveer waarom een gehaltebepaling noodzakelijk is (zie ook onder Opmerkingen).
  • Bij monsters dient het oorspronkelijke gewicht van het stuk van overtuiging (SVO) vermeld te worden.
  • Maximaal vijf SVO’s per aangevraagd product. Meer SVO’s alleen mogelijk na overleg met een forensisch adviseur.
  • Dit product is inclusief het identificatieonderzoek (product Identificatie van drugs en -precursoren, VDM001).

Opmerkingen

  • In relatie tot de Opiumwet is een gehaltebepaling van het aangetoonde middel niet noodzakelijk. Daarom wordt een gehaltebepaling slechts in uitzonderingsgevallen uitgevoerd, bijvoorbeeld bij slachtofferzaken of voor het berekenen van wederrechtelijk verkregen voordeel.

  • Het aanvragen van een gehaltebepaling is mogelijk voor de volgende veelvoorkomende middelen: cocaïne, heroïne, amfetamine, MDMA en THC. Gehaltebepaling van andere Opiumwetmiddelen is alleen mogelijk na overleg met een forensisch adviseur.

Verdovende middelen