U bent hier:Home Nieuws Dossiers Dossier Forensische archeologie
Het vakgebied, relatief jong in Nederland, is gericht op de herkenning, vastlegging en bemonstering van bodemkundige, botanische en entomologische sporen, zodat deze tijdens een vervolgonderzoek betrouwbaar kunnen worden ingezet. De forensisch archeoloog is gemiddeld één keer per week met een logistiek coördinator op pad voor een schouw. Hij krijgt een oproep van de politie of hij kan assisteren bij onderzoek op een mogelijke plaats delict (pd). De forensisch archeoloog: ‘Ik vind niet altijd iets, sterker nog: meestal ga ik op pad om het vermoeden van misdrijf uit te sluiten.’
De basisuitrusting van een forensisch archeoloog is eenvoudig: een spade, een sonde, een guts en een GPS-ontvanger. Zijn deskundigheid zit niet in het kunnen hanteren van het gereedschap, maar in het interpreteren van wat wordt aangetroffen. Verschillende soorten verstoringen hebben ieder hun eigen specifieke invloed op het ontbindingsproces van een begraven stoffelijk overschot en op de planten en dieren in de omgeving.
Met de sonde wordt een inschatting genaakt van weerstandsverschillen in de grond; die weerstand varieert per bodemtype en de tijd die is verstreken tussen het moment van verstoring en het moment van de schouw. Inspectie met de guts – een soort grondboor – maakt het mogelijk bodemverstoringen te herkennen aan de kleur en structuur van de opgeboorde lagen.
Opgraven betekent per definitie vernietigen. Je kunt het slechts één keer doen: er is geen mogelijkheid tot herhaling.