Nederlands Forensisch Instituut
Direct naar: hoofdnavigatie - subnavigatie - zoeken en sitemap
Sinds de populaire politieserie CSI op tv is, staat het forensisch onderzoek in de spotlights. “Is dat nou hetzelfde als wat jullie doen?” is een vraag die vaak aan NFI-medewerkers gesteld wordt. Veel van wat de serie laat zien, klopt inderdaad. Maar er zijn ook verschillen.
In CSI zijn de hoofdpersonen vaak zowel speurder als onderzoeker. Ze zoeken sporen op de plek van de misdaad (plaats delict, of crime scene), ondervragen verdachten, zijn aanwezig bij secties en voeren forensisch-technisch onderzoek uit.
Het technische onderzoek op de plaats delict is in werkelijkheid een taak van de forensische opsporingsmedewerkers bij de politie. Het ondervragen van verdachten gebeurt door tactisch rechercheurs. Het NFI adviseert over het verzamelen van sporen, verricht onderzoek aan die sporen en rapporteert de resultaten van dat onderzoek aan zijn opdrachtgevers. Het NFI lost dus geen misdrijven op, maar levert daar met onderzoek een bijdrage aan.
De CSI-speurders zijn blijkbaar op de hoogte van meerdere vakgebieden. Ze schakelen binnen een halve minuut moeiteloos over van de laksporen op een auto naar het onderzoeken van de botten in de kofferbak van diezelfde auto. En tussendoor kijken ze ook nog wie de hamburgers van de inzittenden vergiftigd heeft.
NFI-onderzoekers zijn specialisten binnen één bepaald onderzoeksgebied, waarvoor ze vaak jaren gestudeerd hebben. Ze onderzoeken en rapporteren over hun eigen specialisme, bijvoorbeeld verf, verdovende middelen, toxicologie of DNA-onderzoek. Als ze expertise van een ander onderzoeksgebied nodig hebben, kunnen ze binnen het NFI bij collega’s van meer dan 30 onderzoeksgebieden terecht.
Het oog wil ook wat; de CSI-acteurs zien er overal en altijd piekfijn uit, met perfecte make-up, los geföhnde haren en strakke outfits. Zo lopen ze heen en weer op de plaats delict, vallen panden binnen, ondervragen ze verdachten en zijn ze bij een sectie.
Losse haren kunnen echter uitvallen en daardoor vermengd raken met sporen op de plaats delict. Daarom dragen sporenzoekers in werkelijkheid witte pakken, handschoenen en mondkapjes, en wordt er op een plaats delict voorzichtig en planmatig gewerkt om geen sporen te vernietigen. Lukraak heen en weer lopen en mogelijke bewijsstukken oppakken en bekijken is er dus niet bij.
Ook onderzoekers in het laboratorium dragen vaak beschermende kleding, zoals een witte labjas. Bij DNA-onderzoek dragen de onderzoekers haarnetten, witte jassen, handschoenen en mondkapjes. Maar dat levert weer geen leuke tv-beelden op.
De apparaten en de technieken die ze in CSI gebruiken, komen dicht bij de werkelijkheid. Het NFI levert high-tech forensische diensten en werkt dus met het nieuwste van het nieuwste. De toepassing van technologie in CSI is echter vaak bedacht door de schrijvers van de serie, zodat de aflevering lekker snel en soepel loopt. De dader moet immers binnen een uur gepakt worden.
Zo zie je in de serie dat een computer automatisch vingerafdrukken vergelijkt met vingerafdrukken in een database, waarbij meteen zichtbaar is of de vingerafdrukken overeenkomen. Snel daarna is zelfs de foto van de verdachte beschikbaar. In werkelijkheid levert een computervergelijking alleen een lijst op met de vingerafdrukken waarmee de ingevoerde afdruk het meest overeenkomt. Een vingerafdrukkendeskundige vergelijkt dan de afdrukken één voor één, om te kijken of er een ‘match’ is. Is die er, dan zijn alleen de persoonsgegevens beschikbaar.
