Van opsporing tot bewijsvoering: plaats delict onderzoek voor de hele strafrechtketen (CSI-PEEQ)

Het is voor de opsporing en bewijsvoering van belang dat de resultaten van plaats delict onderzoek door alle deelnemers en voor alle doeleinden in de strafrechtketen kunnen worden gebruikt. Het is vooralsnog echter onduidelijk wat wordt verstaan onder een efficiënt, effectief en kwalitatief goed sporenonderzoek. In het onderzoek CSI-PEEQ wordt de huidige werkwijzen op de plaats delict geanalyseerd, specifiek bij woningovervallen, om vervolgens (nieuwe) werkwijzen te definiëren die voldoen aan de behoeften van de gehele keten.

©CSI PEEQ

Welke werkwijzen dragen bij aan optimaal gebruik van het forensisch onderzoek door alle partners in de strafrechtketen? Deze kennis wordt gebruikt om het plaats delict onderzoek (PD-onderzoek) en het hele opsporings- en vervolgingsproces te optimaliseren. Het onderzoek maakt het daarnaast mogelijk om meer en gerichter innovatiebehoeften te signaleren en meerwaarde van innovaties te meten. 

Waarde voor opsporing en bewijsvoering

Tijdens een PD-onderzoek moet een forensisch onderzoeker talloze keuzes maken over welke scenario’s worden onderzocht en wat hiervoor moet worden bemonsterd of veiliggesteld. Wij onderzoeken wat nodig is tijdens het PD-onderzoek om te zorgen dat alle partners binnen de strafrechtketen zoveel mogelijk baat hebben bij de resultaten van het PD-onderzoek. Hierdoor kan het PD-onderzoek van zo groot mogelijke waarde zijn in de opsporing én bewijsvoering.

Vragenlijst over doelen en belangen

Allereerst wordt door middel van een vragenlijst aan de partners binnen de strafrechtketen (Forensische opsporing, tactische opsporing, OM, ZM, NFI en advocatuur) inzicht verkregen in de doelen van PD-onderzoek voor deze partners. Hiermee wordt onderzocht of in een bepaalde situatie bijvoorbeeld meer belang wordt gehecht aan het opsporen van een verdachte, aan het reconstrueren van een gebeurtenis of het achterhalen van het motief.

Vervolgens wordt in de vragenlijst aandacht besteed aan het belang en definiëren van efficiënt, effectief en kwalitatief goed PD-onderzoek. Moeten er bijvoorbeeld zo veel mogelijk sporen worden veiliggesteld of is het van belang dat men zich richt op een bepaald type spoor? En is het van belang dat het zo snel mogelijk gebeurt of met zo min mogelijk bemanning?

Behoeften meten voor nieuwe werkwijzen

De kennis uit de vragenlijsten laat zien of de ketenpartners voor hun rol in de strafrechtketen verschillende behoeften hebben met betrekking tot het PD-onderzoek. Met deze kennis wordt onderzocht of de huidige werkwijzen van PD-onderzoek voldoet aan deze behoeften. De onderzoekers meten dit met bestaand beeldmateriaal van forensisch onderzoekers, die een PD van een woningoverval onderzochten. Na het analyseren van deze data worden (nieuwe) werkwijzen opgezet die mogelijk beter voldoen aan de behoeften. Deze nieuwe werkwijzen worden met forensisch onderzoekers getest op geënsceneerde PD’s.

Betrokken partners

Het onderzoek wordt opgezet en uitgevoerd door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI; vanuit team Plaats Delict Innovatie), de Technische Universiteit Delft (afdeling BioMechenical Engineering) en de Hogeschool van Amsterdam (HvA; vanuit lectoraat Forensisch Onderzoek). Tevens in samenwerking met de politie en gesubsidieerd door Politie en Wetenschap. De twee projectleiders zijn werkzaam bij het NFI (Madeleine de Gruijter) en de TU Delft (Arjo Loeve).