In de dertig jaar waarin hij werkte als forensisch arts heeft Huub Nijs heel wat dramatische zaken langs zien komen. “Telkens als je denkt dat je alles wel zo’n beetje gezien hebt, blijkt het nog weer erger te kunnen.” De laatste zeventien jaar deed hij forensisch medisch onderzoek bij het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). In bijna alle gevallen ging het om vermoedens van kindermishandeling, soms met de dood tot gevolg. Op de drempel van zijn pensioen kijkt hij terug: wat houdt dit deskundigheidsgebied bij het NFI precies in en wat heeft hij in de loop van de jaren meegemaakt en zien veranderen?
Forensisch arts Huub Nijs
Tijdens zijn afscheid van het NFI in december 2025 ontving Nijs een koninklijke onderscheiding voor zijn bijdrage aan de forensische geneeskunde en zijn betekenis voor kwetsbare groepen zoals jonge kinderen en dieren. Na zijn opleiding tot basisarts promoveerde Nijs op diabetesonderzoek en ging hij aan de slag als epidemioloog en teamleider bij de GGD Rotterdam. Pas op zijn 37ste kwam hij in aanraking met de forensische geneeskunde, doordat hij in zijn leidinggevende functie bij de GGD Zuid-Holland Zuid ook forensische diensten moest doen. Nijs: “Dan ging ik als gemeentelijk lijkschouwer midden in de nacht naar een afgelegen boerderij, wat zonder navigatie toen nog best spannend was. Of kwam ik op een plaats delict met een overledene waar het moordwapen nog instak. Heftige taferelen, maar ik was ook meteen gemotiveerd om een bijdrage te leveren aan de waarheidsvinding. Ook waren er totaal onverwachte overlijdens zonder aanwijzingen dat er iets ‘geks’ was gebeurd. Steeds dook die vraag op: wat is hier gebeurd?”
Forensische kindergeneeskunde
De forensische geneeskunde had zijn interesse gewekt. Na een opleiding tot forensisch deskundige kindergeneeskunde en drie jaar werken bij de Forensische Polikliniek Kindermishandeling (FPKM) in Utrecht, ging hij in 2009 aan de slag bij het NFI. Eerst als forensisch arts voor alle leeftijden, maar na drie jaar stapte hij volledig over naar forensisch onderzoek minderjarigen. Nijs onderzocht en duidde letsels en afwijkingen bij zowel levende als overleden kinderen, ploos dossiers en vakliteratuur uit en stelde deskundigenrapporten op, die als bewijs dienden in een rechtszaak. In de eerste jaren vond het onderzoek nog weleens plaats op een plaats delict, of in een ziekenhuis of op een politiebureau, maar de laatste jaren werkte hij meestal vanachter zijn bureau. “In tegenstelling tot een kinderarts of de huisarts kennen wij de ouders niet. Zo worden we niet beïnvloed door de sociale setting en dat is maar goed ook. Kindermishandeling komt overal voor en je kunt je ontzettend vergissen in mensen op basis van je eigen indruk.”
“A forensic case has no face”
Kinderen die zijn geslagen, gebrandmerkt, vergiftigd, doodgeschud of verstikt: in zijn loopbaan heeft Nijs veel ellende gezien. Het gaat in zijn werk om ernstige feiten die tot een strafzaak hebben geleid. Toch spreekt uit alles wat hij zegt een grote liefde voor het vak. Hoe ging hij al die jaren om met de narigheid in zijn werk? “Mijn mentor en later ook NFI-collega Rob Bilo leerde me: ‘A forensic case has no face’. Daarmee bedoelde hij dat wij als forensisch artsen ons werk het beste kunnen doen als we geen beeld hebben van het slachtoffer. Ik help een kind het meest door feitelijk te kijken en gegevens te verzamelen. Met alle verzamelde informatie probeer je de puzzel van de waarheidsvinding te leggen met een analytische blik: wat zie ik en wat zegt dat? Wat is de meest waarschijnlijke verklaring voor dit letsel? Ik heb altijd al van puzzelen gehouden, vroeger al. Als ik zou zijn uitgeloot voor geneeskunde, zou ik wiskunde zijn gaan studeren. Je zou het werk hier kunnen zien als een vorm van medisch puzzelen, om uiteindelijk recht te doen aan een kind dat mogelijk iets vreselijks heeft meegemaakt en het zelf niet (meer) kan vertellen. Daar is het me uiteindelijk om te doen. En eventueel help je daar ook andere kinderen of betrokkenen mee.”
Beeld: © iStock
Foto ter illustratie
Schedelhersenletsel
In meer dan de helft van alle onderzoeken die de forensisch artsen minderjarigen van het NFI doen, gaat het om schedelhersenletsel. De onderzoeksvraag bij dit soort letsel is in de meeste gevallen of het is ontstaan door een medische oorzaak, door een ongelukje of dat het door iemand is toegebracht. Toegebracht schedelhersenletsel (TSHL) is beter bekend onder de naam Shaken Baby Syndrome. Die term dekt de lading niet helemaal, want TSHL ontstaat niet alleen door het heftig heen en weer schudden van een baby, maar ook door impact van buitenaf, ofwel contacttrauma: een muur, een vloer of een voorwerp bijvoorbeeld. TSHL komt voor bij kinderen van nul tot vier jaar oud, maar met name bij baby’s tussen de drie en zes maanden. “En niet toevallig valt dit samen met de periode waarin kinderen hard kunnen huilen”, vertelt Nijs. “Maar ik heb ook een TSHL-zaak gehad van een peuter van ruim twee jaar oud, die ik nooit zal vergeten. Het kind kwam het ziekenhuis binnen in bewusteloze staat, waarbij er een verdenking was van verdrinking. Korte tijd later overleed het aan schedelhersenletsel. Volgens de pleegmoeder was hij buiten haar gezichtsveld om in de drinkbak voor de hond gevallen en zo bijna verdronken. Bij het uit de drinkbak halen zou het hoofd van het kind op een deurdorpel zijn gekomen. Om hem wakker te maken zou ze hem ook wat geschud hebben. Maar de sporen aan en in het lichaam vertelden een ander verhaal: niet alle medische bevindingen waren zo te verklaren. Dan moet je als deskundige stevig in je schoenen staan op zitting, zeker als de verdediging met de meest uiteenlopende alternatieve verklaringen komt.”
De medische puzzel
Welke sporen zijn er op en in het lichaam te vinden na kindermishandeling en hoe ontrafelt een deskundige vervolgens wat er is gebeurd? Een forensisch arts, meestal de regionaal werkzame forensisch arts van de GGD, begint met een topteen-onderzoek waarbij het lichaam van buiten wordt onderzocht op letsels en afwijkingen. Alles wordt fotografisch vastgelegd en opgetekend. Daarna volgt vaak radiologisch onderzoek om een beeld te krijgen van eventuele letsels in de hersenen en in de rest van het lichaam. Nijs: “Bij heftig schudden bijvoorbeeld ontstaan er vaak bloeduitstortingen onder het harde hersenvlies en netvliesbloedingen in de ogen. Ook kunnen er afscheurbreuken ontstaan in de uiteinden van armen en benen, of ribbreuken. Als het kind is overleden, worden tijdens de gerechtelijke sectie ook de organen onderzocht op ziektes, genetische afwijkingen of toxicologische oorzaken. En dan zijn er nog de medische voorgeschiedenis en de processen verbaal, waarin ook verklaringen van ouders of verzorgers zijn opgenomen over het functioneren van het kind en eventuele voorvallen waardoor letsel zou kunnen zijn ontstaan. Soms bestuderen we ook beeld- of geluidsmateriaal, bijvoorbeeld afkomstig van de telefoons van de ouders, of van het telefoongesprek met 112. Al deze gegevens vormen samen een sporenbeeld waarmee het puzzelen begint: wat vertellen deze feiten ons en wat sluiten ze uit?”
Overig onderzoek
De tweede grote groep letsels waar Nijs en zijn collega’s veel onderzoek naar doen is huidletsel. Dat kan gaan om blauwe plekken bij kinderen, brandwonden of andere bevindingen aan de huid. Dan is er nog een restgroep die bestaat uit allerlei andere zaken: onderzoek naar botbreuken bij kinderen, letsel bij seksueel misbruik en vermoedens van kindermishandeling door falsificatie, beter bekend als het syndroom van Münchhausen-by-proxy. Nijs: “Natuurlijk zijn er zaken geweest die deze categorieën ontstijgen. Ik heb vaak gedacht: dat dit bestaat! Bijvoorbeeld bij die zaak waarin een jonge vrouw meerdere keren een kind had gekregen en had gedood zonder dat de omgeving het wist. Kwamen er op het NFI drie koffers aan die bij haar op zolder waren gevonden… Maar ook Vlaardingen…” Hij valt even stil, gevolgd door een diepe zucht.
Een volle dossierkast
Een vak in ontwikkeling
Nijs heeft in die zestien jaar bij het NFI het vak zien veranderen. Het team voor minderjarigen is gegroeid van drie forensisch artsen naar zes, waaronder ook een aantal kinderartsen. Ook werken de forensisch artsen meer samen dan vroeger, zowel onderling als met andere onderzoeksgebieden, zoals Pathologie, Toxicologie en Humane Biologische Sporen. Dat begint al bij de forensische intake, het eerste gesprek tussen de politie, een rechter-commissaris of officier van justitie en de forensisch arts, waarin zij samen de onderzoeksmogelijkheden en de vraagstelling bespreken. Nijs: “Daar zit nu standaard een collega bij om samen te kunnen sparren. En daar stopt het niet. Ook tijdens het onderzoek: sparren. Bij het schrijven en het uitbrengen van een rapport: sparren. De feedback die je dan krijgt is soms niet mals, maar het houdt je scherp. Voor, tijdens en na een zitting: sparren. Vroeger ging je daar in je eentje heen, maar nu gaat er altijd minimaal één collega mee. Dat is echt veranderd.”
Op zitting
Een andere ontwikkeling is het in toenemende mate gebruikmaken van wetenschappelijke literatuur om de onderzoeksresultaten mee te onderbouwen, waar mogelijk ook met een getalsmatige bewijskracht. Nijs: “Stel bijvoorbeeld dat er bij een kind interne bloedingen zijn opgetreden, waarbij er een verdenking bestaat dat die zijn toegebracht. Dan kan de verdediging op zitting aanvoeren dat een zeldzame stollingsziekte de oorzaak van die bloedingen is. Beschrijvingen uit de medische literatuur kunnen zo’n hypothese ondersteunen, of juist niet. Hoe vaak komt die ziekte voor, wat zijn de symptomen en in hoeverre kan die ziekte een verklaring zijn voor de combinatie van medische bevindingen?” Bij Nijs staat de teller bij zijn pensioen op tachtig zittingen bij rechtbanken en gerechtshoven. Deskundigen forensisch medisch onderzoek minderjarigen worden vaak opgeroepen. “Wij moeten onze rapporten dan toelichten in een rechtszaal, vooral om ze uit te leggen in lekentaal. Ons onderzoek is niet alleen medisch complex, maar ook juridisch. In onze rapporten schrijven wij niet op of iemand iets wel of niet heeft gedaan. Wel doen wij een uitspraak over de mate van waarschijnlijkheid van de bevindingen in meerdere scenario’s. Het oordeel is aan de rechter.”
Toekomst
Nijs heeft niet de illusie dat forensisch artsen ooit zonder werk komen te zitten. Wel heeft hij in de loop van de jaren het bewustzijn over kindermishandeling zien toenemen, zowel bij artsen als in de maatschappij. En dat vindt hij hoopgevend. Ook de protocollen en richtlijnen zijn verbeterd. Artsen kunnen bij twijfel of voor advies het Landelijk Expertisecentrum Kindermishandeling (LECK) raadplegen, waar onder andere het NFI bij betrokken is, nog voordat politie en justitie in beeld zijn. En er is stichting Veilig Thuis. Bij de oprichting van het LECK rond 2014 was Nijs zijdelings betrokken. Zelf richtte hij een paar jaar later in samenspraak met deskundigen van de afdeling Diergeneeskunde van het Universitair Medisch Centrum (UMC) Utrecht het Landelijk Expertisecentrum Dierenmishandeling (LED) op. Ook was hij bij veel verbeter- en onderwijstrajecten betrokken en hielp hij bij het ontwikkelen van richtlijnen.
Op de vraag wat hij achterlaat na al die jaren bij het NFI, moet hij nadenken, maar dan volgt met gepaste trots: “Dat ik toch in een aantal bijzondere zaken het verschil heb kunnen maken. Maar ook dat ik hier bij het NFI een club jonge en gedreven forensisch artsen heb mogen opleiden. Ik kan hier met een gerust hart de deur achter me dichtdoen.”