Forensisch onderzoek naar chemische sporen om terroristische bomaanslagen te voorkomen

Welke chemische sporen vind je terug op de kleding of het lichaam van een verdachte die explosieven voor een terroristische aanslag heeft vervaardigd? Over de overdracht van specifieke chemicaliën uit explosieven op verschillende ondergronden, kleding, haar of in vingersporen is nog veel onbekend. Toch kan dit de opsporing in een vroeg stadium helpen bij het vinden van verdachten die een terroristische aanslag voorbereiden. Het NFI springt samen met de Universiteit van Amsterdam (UvA) en TNO in dat gat en werkt de komende jaren aan forensische methoden die helpen om terroristen op te sporen en zo misschien zelfs aanslagen te voorkomen.

Het onderzoek is onderdeel van het Europese project INHERIT (INHibitors, Explosives and pRecursors InvesTigation), waarbij veertien partners uit negen verschillende landen de handen ineen slaan in de strijd tegen terroristische aanslagen met bommen. Het consortium bestaat uit diverse Europese kennisinstituten, politiediensten, universiteiten en bedrijven. Ook de FBI is aangesloten. De trekker van het project is het Zweedse kennisinstituut FOI. INHERIT heeft vijf miljoen euro subsidie toegekend gekregen vanuit de EU.

Beeld: NFI

Voorbereiden aanslag

Innovatief forensisch onderzoek is één van de onderdelen van INHERIT. Prof. dr. Arian van Asten van de UvA coördineert het forensische deel dat uit twee onderzoekslijnen bestaat. Enerzijds is dat het ontwikkelen van chemische methodes om grondstoffen aan eindproducten (de explosieven) te linken en informatie over de herkomst van stoffen te achterhalen. Anderzijds is dat onderzoek op activiteitniveau (hoe is een spoor ergens terechtgekomen?). Dit houdt in het vinden van hele kleine sporen die iets kunnen vertellen over de activiteiten van degenen die mogelijk betrokken zijn bij het voorbereiden van een terroristische aanslag.

 “Wij gaan ons vooral bezighouden met de overdracht van sporen, kleine explosieve deeltjes, van bijvoorbeeld een persoon naar allerlei oppervlakken of van allerlei oppervlakken naar een persoon”, legt explosievendeskundige Annemieke Hulsbergen van het NFI uit. “Hoe lang blijven die sporen erop zitten? Draagt het spoor überhaupt wel over? En als je je hand met explosieve deeltjes op een katoenen T-shirt drukt, gaan die sporen er dan snel weer af of juist niet? Dat soort vragen zijn een blinde vlek in ons vak.”

Overdracht op huid en haren

Een AiO van de UvA gaat bij het NFI onderzoeken wat je na het fabriceren van explosieven aan sporen kunt terugvinden. “Als iemand in zijn huis een explosief aan het maken is, zorgt dat vermoedelijk voor overdracht op huid, haren en kleren. Daarna raakt die persoon dingen aan en dat laat mogelijk interessante sporen na. Dat is voor ons belangrijke informatie”, legt ze uit. Omdat er nu nog geen kennis is over de overdracht van sporen, weten we nog niet wat nuttige bemonsteringslocaties zijn. Ook kan het zo zijn dat de temperatuur, luchtvochtigheid of ondergrond invloed hebben op sporen. Factoren die we graag willen onderzoeken.”

Om dit onderzoek goed te kunnen doen, zijn realistische scenario’s nodig. Ook daar denkt het NFI in mee. Hulsbergen: “We focussen ons in ons onderzoek op de meest gebruikte explosieven in het criminele circuit. Verder kijken we bijvoorbeeld naar wat een verdachte het vaakst aanraakt.”

Sporen in vingerafdruk

Een ander interessant onderzoek vindt plaats aan vingerafdrukken. Als je een explosief hebt gemaakt, is er een goede kans dat een deel van die sporen in het vet van je vingerafdruk zitten. Dat onderzoek vindt plaats bij TNO. Maar als een verdachte in de tijd steeds vaker met zijn/haar vingers iets aanraakt, nemen de deeltjes explosieve stof in dat spoor waarschijnlijk af. Wij gaan bij het NFI onderzoeken en meten in hoeverre die concentratie afneemt in de tijd. Een relevante vraag is bijvoorbeeld of het aannemelijk is dat je die sporen bij het handen schudden ook kunt overbrengen op iemand anders”, aldus Hulsbergen.

Bij de UvA vindt het isotopenonderzoek plaats aan explosieve stoffen. Hiermee is het mogelijk om nog meer informatie uit een spoor te halen, waardoor je bijvoorbeeld een specifieke grondstof kunt linken aan een geproduceerd explosief. “Wat wij vervolgens bij het NFI doen, is onderzoeken of er kleine vervuilingen in de grondstof zitten. Als die ook in het explosief aanwezig zijn, kun je een nog sterkere conclusie trekken over of een grondstof is gebruikt voor het maken van een bepaald explosief.”

Hoopvolle verwachtingen

Hulsbergen heeft hoge verwachtingen van het project. “Ik hoop dat we na de komende drie jaar bronvergelijkingen kunnen doen voor specifieke grondstoffen voor explosieven. Dus goed onderbouwd de vraag beantwoorden of het materiaal uit ‘dezelfde pot’ komt en of het materiaal is gebruikt voor het vervaardigen van het explosief. Dan kan de politie op basis daarvan verbanden leggen tussen verschillende locaties en delicten. Daarvoor is het nodig om van een specifieke explosieve stof te weten hoe karakteristiek de kenmerken zijn zodat je die kunt vergelijken.”

Verder verwacht de explosievendeskundige dat ze inzicht krijgt in wat je kunt terugvinden in vingerafdrukken en haren van mensen van wie het vermoeden bestaat dat ze zelf explosieven hebben gemaakt. “Daarnaast verwacht ik dat we door de analyse van afbraakproducten iets kunnen zeggen over hoe en misschien zelfs wanneer het explosief is geproduceerd. Dat is belangrijke informatie voor de opsporing.”

Kennis uitwisselen

Hulsbergen denkt dat het NFI binnen dit Europese project veel nieuwe kennis binnenhaalt en uitwisselt. “Als we de komende jaren stappen kunnen maken met het forensisch onderzoek, dragen we als NFI hopelijk bij aan het voorkomen van terroristische aanslagen en aan de veiligheid van Europa.”