Bewijswaarde vast te stellen voor DNA-vergelijkingen met nieuwe methode

DNA-profielen die in rechtszaken worden gebruikt, kunnen uitgebreider en gedetailleerder in beeld worden gebracht met nieuwere methodes, zoals Massively Parallel Sequencing (MPS). Het wordt nu ook mogelijk om de bewijswaarde vast te stellen bij DNA-vergelijkingen verkregen met die methodes. Uit onderzoek van Het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) en het Forensisch Laboratorium voor DNA-Onderzoek (FLDO) in het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC) blijkt, dat het model dat nu gebruikt wordt om bewijswaarde berekeningen uit te voeren op de huidige forensische DNA-vergelijkingen, ook toepasbaar is op DNA-vergelijkingen met MPS. Dit is belangrijk om de verkregen resultaten in rechtszaken nog beter op waarde te kunnen schatten.

Beeld: Pixabay

De resultaten van de studie van het NFI en FLDO zijn gepubliceerd in het wetenschappelijk tijdschrift Forensic Science International: Genetics.

MPS-methode

MPS is een methode waarmee gebieden met onderscheidend DNA uitgebreider en gedetailleerder in beeld worden gebracht dan met de forensische methoden die nu vaak worden gebruikt. Bij het huidige forensisch DNA-onderzoek worden standaard 23 hypervariabele gebieden van het DNA onderzocht. Deze stukken DNA verschillen bij iedereen in lengte. Het onderzoek met capillaire elektroforese (CE) stelt de lengtes hiervan vast en geeft voor elk gebied twee getallen. Zo is het DNA-profiel van een persoon uiteindelijk een reeks van 46 getallen. Deze getallenreeksen worden bij het vergelijkend DNA-onderzoek gebruikt. Aan de getallenreeks is af te leiden hoe zeldzaam het profiel is.

Soms kan het van belang zijn deze hypervariabele gebieden nog gedetailleerder te onderzoeken. Bijvoorbeeld in het geval van minimale complexe sporen. Denk hier aan zeer oud DNA of door water aangetast DNA, of bij mengprofielen waarin DNA zit van verschillende personen, waarbij óók nog sprake kan zijn van verwantschap. De methode MPS geeft dan meer inzicht en informatie dan de reguliere methoden. Naast de lengte wordt ook gekeken naar de samenstelling op DNA-bouwsteenniveau. De bouwstenen worden met letters (A, T, C en G) weergegeven. Het resultaat van MPS-onderzoek is een DNA-profiel van vele honderden letters. Dat profiel is nog meer onderscheidend dan het standaard DNA-profiel.

Bewijswaarden

Met bewijswaarden wordt aangegeven hoeveel meer waarschijnlijk de DNA-profielen zijn in het licht van de ene hypothese (persoon X heeft DNA bijgedragen aan het spoor) ten opzichte van een alternatieve hypothese (een andere persoon, niet-verwant aan X, heeft DNA bijgedragen aan het spoor). Dit is waardevol voor de rechtspraak. Aan een gedetailleerder DNA-profiel kan een sterkere bewijswaarde worden gekoppeld, waardoor de verkregen resultaten in een zaak nog beter op waarde geschat kunnen worden. Inmiddels wordt de methode MPS steeds vaker gebruikt, als aanvulling op de bestaande methode. “In januari 2019 werd door het Hof te Amsterdam voor het eerst wereldwijd een verdachte veroordeeld voor een misdrijf op grond van door het FLDO uitgevoerd MPS-DNA onderzoek”, vertelt Peter de Knijff, hoogleraar Populatie- en Evolutiegenetica aan het LUMC en hoofd van het FLDO. Zij waren het eerste laboratorium dat MPS gebruikte in DNA zaakonderzoek, maar inmiddels gebruiken meerdere laboratoria de methode.

Vergelijkbare trends

Er is door onderzoekers gekeken naar de trends in bewijswaarden voor DNA-profielen verkregen via MPS of met de huidige methoden. “Het blijkt dat die trends heel vergelijkbaar zijn, wat aangeeft dat je veel kennis over wat er gebeurt met een bewijswaarde bij de huidige methode kunt vertalen naar MPS-profielen,” geeft auteur en wetenschappelijk onderzoeker Dr. Corina Benschop van het NFI aan. In het onderzoek is gebruik gemaakt van één van de meest geavanceerde statistische modellen, die naast de pieken (getallenreeks) onder andere ook informatie meeneemt over de intensiteit hiervan.

Opzet onderzoek

“Voor ons onderzoek zijn drie sets van 152 complexe mengprofielen gemaakt en die zijn vervolgens geanalyseerd met de standaard methoden en MPS-methoden, waarna de bewijswaarde is berekend voor meer dan 2000 hypotheseparen” vertelt NFI-onderzoeker Corina Benschop. “Vervolgens zijn de resultaten met elkaar vergeleken. Uit het onderzoek blijkt dat deze waarden zich vergelijkbaar gedragen als de bewijswaarden die worden gekoppeld aan de hypotheses voor profielen die met het standaard forensisch onderzoek zijn verkregen. Bijvoorbeeld wanneer het DNA profiel meer of minder kenmerken van de donoren bevat, of onderhevig is aan meer of minder ruis, of ontstaan is uit een mengsel van DNA van meer of minder donoren. Dat betekent dat de methode voor het berekenen van de bewijskracht en de richtlijnen voor het gebruik hiervan bijna 1 op 1 overgenomen kunnen worden.” De richtlijnen die worden opgesteld bevatten informatie over de situaties waarin het uitvoeren van een dergelijke berekening het meest zinvol is en over wanneer de resultaten betrouwbaar zijn en worden opgenomen in het DNA-rapport.

Mooie aanvulling

“Het is mooi dat de trends vergelijkbaar zijn,” geeft Benschop aan: “Soms zijn onderzoekers wat huiverig over te stappen van CE naar MPS, omdat het 'anders' is of 'heel veel validatiestappen zal vragen'. Deze studie toont helder aan dat het allemaal mee valt.” Voorlopig wordt de MPS-methode vooral gebruikt als aanvulling op het standaard DNA-onderzoek: “De extra details zijn niet altijd nodig. Maar indien ze nodig zijn, is het goed dat we de bewijswaarde in kaart kunnen brengen.”