Wat is de beste manier om slachtoffers van misdrijven op te graven? Europese deskundigen maken afspraken

Stel je voor: een persoon is vermoedelijk door een misdrijf om het leven gekomen en daarna begraven. Hoe graaf je zo iemand op, zonder sporen te wissen? En hoe leg je de sporen vast? Europese landen hebben nu hun eigen richtlijnen en die kunnen onderling verschillen. “Tijd om de krachten te bundelen,” vindt Mike Groen, forensisch archeoloog en antropoloog bij het NFI en voorzitter van de werkgroep voor de Forensische Archeologie van het European Network of Forensic Science Institutes (ENFSI). Tientallen forensisch onderzoekers, forensisch archeologen en forensisch antropologen uit binnen- en buitenland werken met elkaar aan een uniform plan van aanpak voor het opgraven van personen die slachtoffer zijn van een misdrijf. Ze doen hiervoor deze week gezamenlijk onderzoek op een speciale begraafplaats naast het Amsterdam UMC. 

“Volgens Europese afspraken zou het niet moeten uitmaken in welk land je begraven ligt, het opgraven en het forensisch onderzoek ter plaatse zou overal volgens dezelfde richtlijnen moeten gebeuren,” stelt Groen. Nederland, maar ook andere landen, heeft bijvoorbeeld veel langdurig vermisten in cold cases die zeer waarschijnlijk ergens onder de grond begraven liggen. Voor heel Europa gaat het vermoedelijk om honderden lichamen. “We willen nu van elkaar leren en met elkaar een Europese richtlijn – een ENFSI Best Practice Manual- vastleggen met daarin wat de beste opgravingsmethoden en minimale eisen zijn,” vertelt Groen. 

Geen sporen wissen

De onderzoekers uit de verschillende landen beproeven met elkaar de beste methoden om mensen op te graven zonder sporen te wissen. “Als iemand een kuil graaft, dan zie je overal gereedschapssporen. Die blijven ook na lange tijd vaak nog zichtbaar, maar dan moet je wel weten hoe je de grond moet afgraven,” vertelt Groen. 

Er worden in de richtlijnen ook afspraken gemaakt hoe sporen in de grafkuil het best veiliggesteld kunnen worden. “Stel dat je een handschoen vindt. De DNA-sporen zou je bijvoorbeeld gelijk op de plaats delict kunnen veiligstellen, de vingersporen kunnen vermoedelijk beter later worden veiliggesteld op een forensisch laboratorium.” Ook kijken de leden van de ENFSI werkgroep Forensische Archeologie wat de beste methoden zijn om een lichaam op te graven. 
 

Samenwerking

De leden doen onderzoek op een begraafplaats naast het Amsterdam University Medical Centre, ofwel het Amsterdam Research Initiative for Sub-surface Taphonomy and Anthropology (ARISTA). Op de begraafplaats liggen mensen begraven die hun lichaam beschikbaar hebben gesteld aan de wetenschap. De opgravingen worden mede georganiseerd door het Landelijk Team Opsporen, Bergen en Identificeren (LTOBI) van de politie en het NFI. Dat team assisteert in Nederland bij alle zoekingen naar personen die vermoedelijk door een misdrijf om het leven gekomen zijn en eventueel begraven zijn. Zoals het geval was bij de lang vermiste Sumantha Bansi. “In Nederland worden de forensisch archeologen niet alleen ingezet voor een opgraving maar ook al tijdens de zoekingen” vertelt Jitteke Struik, de coördinator van het LTOBI. “Zij kunnen zonder eventuele sporen te verstoren vaststellen of een aangetroffen bodemverstoring relevant kan zijn voor het onderzoek of veroorzaakt is door iets anders. Ook het met zekerheid uitsluiten dat in een bepaald gebied menselijke resten begraven zijn, gebeurt op basis van archeologische methoden." 

Vergroot afbeelding
Beeld: Landelijke Eenheid

Tientallen collega’s uit meerdere landen

De leden van de werkgroep zijn forensisch onderzoekers, forensisch archeologen en forensisch antropologen afkomstig uit 14 Europese landen, zoals België, Duitsland en Oostenrijk. “Het gaat om de collega’s die in hun eigen land de opgravingen doen,” vertelt Groen. Hij nam in 2012 het initiatief om deze werkgroep op te richten. Inmiddels zijn 35 forensische instituten, politieorganisaties en academische centra uit achttien Europese landen lid. De achtergrond van de leden wisselt per land. In Nederland worden vermoedelijke slachtoffers van misdrijven bijvoorbeeld vrijwel altijd opgegraven door de politie in samenwerking met het LTOBI, maar in andere landen is soms enkel de politie of juist enkel medici betrokken, vertelt Struik: “Ze zijn wel erg geïnteresseerd in onze aanpak van zoekingen en ze zien veel meerwaarde in het combineren van de verschillende disciplines zoals wij dat binnen LTOBI doen.” vertelt Jitteke, “Het gezamenlijk zoeken met speurhonden, techniek en archeologen en het gezamenlijk ontwikkelen van nieuwe methodieken vergt een nauwe samenwerking van veel verschillende ketenpartners, het is mooi dat we met LTOBI kunnen laten zien dat het kan!”

Vastleggen sporen

De best beproefde methoden en minimale richtlijnen worden komende maanden door Groen en de andere ENFSI werkgroepleden verder uitgewerkt voor de ENFSI Best Practice Manual (BMP) aangaande de Forensische Archeologie. Naast afspraken over het veilig stellen van de sporen maken de leden van de werkgroep afspraken hoe de situatie ter plekke (digitaal) vastgelegd moet worden, vertelt Groen: “Je wil de vindplaats en graafsporen goed in beeld brengen, voor een reconstructie later. Je moet zo veel mogelijk informatie over de omstandigheden waaronder iemand begraven is vastleggen. Hoe groot was de kuil toen die gegraven werd? Met welk gereedschap is er gegraven? En ook: is uit de bodemlagen te herleiden hoe lang geleden het aangetroffen voorwerp in de grafkuil terecht is gekomen?” Alleen een foto nemen is niet voldoende. In Nederland maken wij bijvoorbeeld standaard gebruik van 3D-scans. Toch worden de 3D-scans niet verplicht in de minimale richtlijnen, denkt Groen: “Niet alle landen werken daar bijvoorbeeld nog standaard mee. Bovendien kan je een grafkuil ook documenteren met traditionele archeologische meetmethoden, met behulp van meetlinten, meetstokken en waterpas.” 

Zie ook: