TERUGBLIK MH17: ‘Dit onderzoek naar microsporen blijft je altijd bij’ (deel 1)

Hoe kwam het dat het vliegtuig MH17 op 17 juli 2014 neerstortte in Oekraïne? Was het een ongeluk, zat er een bom in het vliegtuig of werd het vliegtuig neergeschoten door een straaljager of een raket? Bij het strafrechtelijk onderzoek werden alle opties opengehouden door forensisch microsporendeskundigen Erwin Vermeij en Peter Zoon van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). “We leverden met ons onderzoek puzzelstukjes aan, zodat anderen zoals het Openbaar Ministerie (OM) het verhaal kunnen vertellen over wat er gebeurd is,” zegt Vermeij. In dit artikel lees je over het eerste deel van het forensisch onderzoek: het onderzoek aan de lichamen van de slachtoffers na aankomst in Nederland.

Na de ramp met vlucht MH17 op 17 juli 2014, was ons land ondergedompeld in diepe rouw. Tegelijkertijd zijn er te midden van die rouw en hectiek onder andere door NFI bergen werk verzet: om de 298 slachtoffers in Nederland te krijgen, te identificeren en kort daarna voor het strafrechtelijk onderzoek. Nu, jaren later, is er een uitspraak in de zaak en blikken we terug met collega’s van verschillende afdelingen.

Vergroot afbeelding
Aangetroffen metalen fragmenten in onderzoek MH17. Foto: OM

Op 17 juli 2014 was forensisch onderzoeker Erwin Vermeij thuis, na een week vakantie op Texel. Zijn collega Peter Zoon zat nog met zijn gezin op een camping in Zuid-Frankrijk. Beide zagen het nieuws over de MH17 en dachten: dit is foute boel. “Ik zag een foto van een wrakstuk tegen een lantarenpaal. Dat zat vol met gaten,” vertelt Vermeij. “Er was een rookpluim gezien en de wrakstukken lagen verspreid over een groot gebied. Er werd al snel gespeculeerd dat het geen gewoon ongeluk was.” Vermeij deed eerder onderzoek naar kofferbommen in het bagageruim van vliegtuigen, dus onderzoek doen aan vliegtuigen was niet nieuw voor hem.

‘We wilden oorzaak achterhalen’

Zoon belde de dag na de ramp tijdens zijn terugreis uit Frankrijk met Vermeij en andere collega’s van het NFI. “Het OM en de landelijke recherche hadden al internationale contacten. We spraken over wat er onderzocht kon worden om te achterhalen wat er gebeurd zou kunnen zijn.” Het werd duidelijk dat de slachtoffers van het vliegtuigongeluk naar Nederland zouden komen. Al snel was het idee om de slachtoffers forensisch te onderzoeken, weet Vermeij nog. We dachten: de lichamen zijn misschien het enige dat we kunnen onderzoeken om te kunnen achterhalen wat er gebeurd kan zijn. We wisten toen nog niet dat later ook de vliegtuigdelen naar Nederland zouden komen.”

Lichaamsvreemde materie

Vermeij en Zoon werken vaker multidisciplinair samen, omdat zij betrokken zijn bij het zogeheten onderzoek naar ‘microanalyse van invasieve trauma’s’, kort genoemd MIT-onderzoek. Dat onderzoek richt zich op steek- en slagverwondingen bij slachtoffers van dodelijk geweld. Verschillende deskundigen onderzoeken samen wat de oorzaak van het letsel kan zijn. “We hadden door het MIT al een jarenlange ervaring van samenwerken met forensisch pathologen, forensisch antropologen en een deskundigen kras-, indruk,- en vormsporen. Als bijvoorbeeld iemand op zijn hoofd geslagen wordt, ga je op zoek naar lichaamsvreemde materie in de wond om zo te achterhalen wat er gebeurd kan zijn. We hoopten in dit onderzoek aan de lichamen van de slachtoffers dat we iets zouden vinden dat ons meer zou kunnen vertellen over de oorzaak van het neerstorten van het vliegtuig.”

Slachtoffers onderzoeken

Na aankomst in een militaire kazerne in Hilversum werden de lichamen van de slachtoffers gescreend door militair personeel op chemische en biologische gevaren. Daarna was er een schouw en werden de lichamen van de slachtoffers met een CT-scan en een röntgenapparaat van de Douane onderzocht. Dit om te scannen of er lichaamsvreemde voorwerpen in de lichamen zaten. Dat kon van alles zijn: BH-beugels, een telefoon, kettinkjes, maar ook metaaldeeltjes. “Wij beoordeelden met de Forensische Opsporing van de Landelijke Eenheid van de politie welke lichamen forensisch onderzocht moesten worden om de forensische sporen veilig te stellen. Er waren verschillende NFI-collega’s betrokken. Er was ook een forensisch antropoloog en er was iemand aanwezig van de afdeling explosieven,” vertelt Vermeij. Een forensisch patholoog en een sectie-assistent waren betrokken bij het veilig stellen van het lichaamsvreemde materiaal. 

Aflossing

Tijdens de eerste dagen van het onderzoek was Erwin Vermeij aanwezig in Hilversum, daarna werd hij afgelost door Peter Zoon. Vermeij: “Dat kwam zo uit. Peter was net terug van vakantie. Ik onderbrak de mijne. Toen het gebeurde was ik thuis, maar ik zou de week erna weer op vakantie gaan. Mijn vrouw was langdurig ziek. Zij had hulp nodig. Ze was in de week dat de lichamen van de slachtoffers naar Nederland kwamen, met mijn dochters van 13 en 15 jaar op vakantie gegaan. Ik ben hen achterna gereisd. Peter nam het toen van mij over.”

Hitte

Om de lichamen van de slachtoffers te conserveren, was formaline gebruikt. Daarom moesten de onderzoekers voor hun veiligheid een masker en witte pakken dragen. Het was bloedheet, herinneren Vermeij en Zoon zich. “Dat pak was net een aquarium, ik moest het masker af en toe van mijn gezicht halen om van het water af te komen,” vertelt Vermeij. Het forensisch onderzoek aan de slachtoffers, de zogenoemde triage, vond plaats in een straat naast het identificatieproces. “Ik was zo gefocust op het vinden van sporen, dat ik mijn emoties kon uitschakelen. Ik heb later wel getwijfeld of dit normaal is, maar schijnbaar werkt het zo.” Zoon vult hem aan: “Toen er een kind binnen kwam in de leeftijd van mijn dochter, ben ik even weg gegaan.” Dat er af en toe iemand weg ging, werd geaccepteerd, vertelt Vermeij: “Dat was gewoon zo. Af en toe moesten mensen even bij komen. Ik had dat zelf niet, maar mij is wel een specifiek beeld bijgebleven van een klein kindje. Dat staat nog steeds scherp op mijn netvlies.”

Surrealistisch

In de kazerne in Hilversum lunchten de deskundigen aan grote ronde tafels. Aan elke tafel zat iemand met een psychologische achtergrond, die vroeg hoe het met de aanwezigen ging en of het moeilijk was om onder deze omstandigheden te werken. Zoon: “Ik vond het surrealistisch. We zijn in ons werk wel ellende gewend, maar niet een ramp van deze omvang.” Vermeij: “Er hingen knuffels en briefjes aan het hek van het terrein in Hilversum. Die wilde ik niet lezen, want ik weet dat ik daar moeite mee heb. Er waren hulpverleners die dat juist wel deden. Ik wilde liever afstand houden, ik wilde het niet te dichtbij laten komen.” Die laatste vrijdag waren alle lichamen geschouwd in een sporthal. Toen Zoon buiten kwam, zag hij 251 kisten op elkaar gestapeld. ”Dit beeld kwam echt bij me binnen. Dit was enorm, zo massaal.” Erwin: “Aan de poort stonden mensen, die klapten vaak als we weggingen. Ik dacht toen nog: ik ben zo blij dat ik iets meer kan bijdragen.”

Van buiten

Toen Vermeij de inslag zag van het wrakstuk met de kraters erin, had hij al een vermoeden dat het om een explosief kon gaan dat van buiten kon zijn gekomen. Toch hielden hij en zijn collega’s alle opties open tijdens hun onderzoek. Tijdens de triage in Hilversum werden veel potentieel interessant materiaal veiliggesteld. Op 8 augustus bij het onderzoeken van de deeltjes met microscopen op het NFI, vonden de deskundigen een metalen deeltje met erop gesmolten glas met zirkonium. Vermeij vroeg zich af wat dit kon zijn. Na een vergelijking met het glas in de glasdatabase van het NFI, bleek het te gaan om cockpitglas. “Het cockpitglas kwam ooit in database van NFI dankzij een stagiair. Die beschikte over cockpitglas en vroeg of we het wilden opnemen als referentiemateriaal. We hadden dus puur geluk dat het erin zat,” aldus Zoon. Het cockpitglas op het metalen deeltje was een aanwijzing dat de explosie van buiten kwam.

Vergroot afbeelding
Beeld: ©OM / Metalen fragmenten uit de lichamen van de slachtoffers. Foto: OM

Vliegtuigvreemd materiaal

Op het moment dat de onderzoekers de metaaldeeltjes veiligstelden, wisten ze niet wie de slachtoffers waren. Het identificatieonderzoek moest nog plaatsvinden.

Er zijn in totaal 540 sporen veiliggesteld. Na de triage maakten de onderzoekers de deeltjes schoon en ze namen foto’s. “We waren vooral benieuwd naar lichaamsvreemd materiaal, dat niet paste bij aluminium, waar een vliegtuig grotendeels van is gemaakt. We noemden dat ‘vliegtuigvreemd materiaal” vertelt Zoon. Achteraf bleek dat ze met name bij de bemanningsleden uit de cockpit veel van dit soort deeltjes hebben aangetroffen. Waaronder deeltjes met een kenmerkende vlinder- en tegelvorm. Vermeij en Zoon concluderen dat alle onderzochte fragmenten overeenkomen qua elementsamenstelling, productieproces en microstructuur. Alle onderzochte fragmenten bestaan uit ongelegeerd staal en hebben een elementsamenstelling van ijzer met silicium, chroom, mangaan en koper. De microstructuur kan ontstaan zijn door de explosie, de verhitting en door inslag in het vliegtuig. In een van de slachtoffers werden drie magnetische fragmenten aangetroffen die aanvankelijk deden denken aan staal. Na grondig onderzoek bleken het steenkoolslakken te zijn. De crashlocatie van MH17 was een mijngebied waarin veel wegen zijn geplaveid met steenkoolslakken.

Vergroot afbeelding
Beeld: ©OM / Vlinder en tegelvormige elementen. Foto: OM

Aanwijzingen voor BUK-raket

De triage van de slachtoffers leverde essentiële aanwijzingen op voor de oorzaak van het neerhalen van de MH17. Binnen enkele weken ontstond het vroege vermoeden dat de MH17 was neergehaald door een BUK-raket. Het vliegtuig werd waarschijnlijk aan de voorkant met veel energie en snelheid geraakt door stalen fragmenten met vormen die overeenkwamen met fragmenten van een fragmentatiekop, die typisch zijn voor BUK-raketten. De Russische Federatie verstrekte informatie over vorm en afmetingen van de fragmenten uit de warhead, de explosieve lading van de BUK-raket. De andere geopperde scenario’s –zoals een ongeluk of een bom van binnen of een beschieting door een straaljager- werden niet door het onderzoek ondersteund. Er werden geen materiaalkenmerken van air-to-air raketten gevonden, die erop zouden kunnen duiden dat MH17 was neergeschoten door een straaljager. Het cockpitglas op het staal kon alleen verklaard worden door een inslag van buiten.

‘Recht om te weten wat er is gebeurd’

Het eerste deel van het onderzoek was heftig. Zoon: “Wat je zag, wat je meemaakte was intens verdrietig. Ik kwam op een avond om 21:00 uur thuis en toen schoot ik vol. Het moest eruit.” Toch zouden beide het onderzoek zo weer doen. Vermeij: “Ik heb mijn steentje bijgedragen voor de slachtoffers en voor de nabestaanden. De nabestaanden hebben het recht om te weten wat er is gebeurd.” Het onderzoek door de microsporendeskundigen is na de triage nog lang niet klaar en er volgden nog enkele jaren onderzoek. Of het inderdaad om een raket ging en niet om delen van het vliegtuig, moest onderzocht worden. Hoe dat ging, lees je in het tweede deel. Daarnaast is het belangrijk om te onderzoeken hoe de onderdelen van een BUK-raket  er na een explosie uitzien. Hoe dat onderzoek verliep, lees je in het derde deel van dit verhaal.