Sorry, you need to enable JavaScript to visit this website.
Overslaan en naar de inhoud gaan

This page is not yet available in English.

This page is currently only available in its original language. You can continue here, or head to the English homepage.

Geschiedenis van het NFI

Van pionierslaboratorium naar internationaal kennisinstituut

Hoe bewijs je een misdrijf als er nauwelijks sporen zijn? Die vraag houdt onderzoekers al eeuwen bezig. In Nederland leidt die zoektocht tot de oprichting van een klein gerechtelijk laboratorium, dat uitgroeit tot een internationaal erkend kennisinstituut. De geschiedenis van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) laat zien hoe forensisch onderzoek al decennialang een bijdrage levert aan de waarheidsvinding in strafzaken. 

Oorsprong van het forensisch onderzoek in Nederland

Eén van de oudste wapens in de strijd tegen de misdaad is de vingerafdruk. Al tweehonderd jaar geleden ontdekken onderzoekers dat vingerafdrukken uniek zijn voor ieder individu. Zelfs bij eeneiige tweelingen verschillen ze van elkaar! In de negentiende eeuw ontstaat het idee om vingerafdrukken die op een plaats delict worden gevonden te gebruiken om de dader(s) te identificeren. Dankzij het pionierswerk van de Argentijnse rechercheur Juan Vucetich, die als eerste een werkend zoeksysteem ontwikkelt, lossen politieonderzoekers in 1892 voor het eerst een moord op met behulp van vingersporen. In Nederland accepteren rechters in 1911 voor het eerst een vingerafdruk als bewijs in een strafzaak. Tot op de dag van vandaag spelen vingerafdrukken een belangrijke rol in het forensisch onderzoek.

Aan het begin van de twintigste eeuw ontwikkelt het forensisch onderzoek zich snel. Nieuwe vakgebieden, zoals toxicologie, onderzoek naar bloedgroepen en microscopisch sporenonderzoek, helpen steeds vaker om misdrijven op te lossen. In Nederland houden slechts enkele gespecialiseerde politiedeskundigen zich met dit werk bezig, waaronder Co van Ledden Hulsebosch, een pionier van het Nederlandse forensisch onderzoek.

Oprichting van het Gerechtelijk Laboratorium

Na de Tweede Wereldoorlog zet de forensische wetenschap in Nederland een belangrijke stap: in 1945 geeft de overheid forensisch onderzoeker Wiebo Froentjes de opdracht een gerechtelijk laboratorium op te richten. Dat gebeurt in de eetzaal van een voormalig klooster aan de Raamweg in Den Haag.

Het klooster aan de Raamweg en portret Froentjes en Zeldenrust
Het klooster aan de Raamweg in Den Haag (links), Froentjes en Zeldenrust (rechts).

De eerste zaak die Froentjes onderzoekt, trekt direct internationale aandacht. Hij onderzoekt de schilderijen van meestervervalser Han van Meegeren, die werken verkoopt onder de naam van beroemde zeventiende-eeuwse schilders, zoals Johannes Vermeer. Met wetenschappelijk onderzoek toont Froentjes aan dat het om vervalsingen gaat, en daarmee is de naam van het jonge laboratorium gevestigd.

Before image
After image

Splitsing en groei

In de jaren die volgen neemt het aantal opdrachten toe en groeit het team. Naast patholoog Jan Zeldenrust komen er onder andere een scheikundige en een farmaceut bij. In 1951 telt het laboratorium twaalf medewerkers en onderzoeken zij samen ruim tweeduizend zaken. In datzelfde jaar splitst het instituut zich op in een Gerechtelijk Natuurwetenschappelijk Laboratorium en een Gerechtelijk Geneeskundig Laboratorium, later het Laboratorium voor Gerechtelijke Pathologie.

De decennia daarna staan in het teken van verdere groei en technische vooruitgang. Dankzij de ontwikkeling van steeds betere apparatuur verfijnen de onderzoekers hun methoden en analyseren zij steeds kleinere sporen, steeds nauwkeuriger. Zo komt er naast de gewone microscoop ook de vergelijkingsmicroscoop in gebruik, waarmee onderzoekers twee objecten – zoals hulzen na een schietincident – direct met elkaar kunnen vergelijken. En de elektronenmicroscoop maakt het mogelijk om structuren tot honderdduizend keer te vergroten. Om het onzichtbare zichtbaar te maken, gebruiken onderzoekers ultraviolet- en infraroodlicht en röntgenstraling. Later helpen technieken als chromatografie en spectrometrie om mengsels van chemische stoffen te scheiden en nauwkeurig te identificeren.

Zwart-wit beelden van onderzoekers aan tafel in het lab aan de Raamweg
Het laboratorium in het klooster aan de Raamweg.

Begin jaren zeventig werken er zestig medewerkers bij beide laboratoria. Het pand aan de Raamweg barst uit zijn voegen en in 1973 volgt een verhuizing naar de Volmerlaan in Rijswijk. Technologische ontwikkelingen zorgen voor uitbreiding van het forensisch werkveld. Zo ontstaat eind jaren tachtig DNA-onderzoek als nieuw vakgebied. In 1988 vindt voor het eerst DNA-onderzoek plaats in de strafzaak van de zogenoemde ‘WTC-verkrachter’. Mede op basis van dit onderzoek spreekt de rechter een onschuldige verdachte vrij. In de jaren negentig groeit met de opkomst van het internet ook computeronderzoek uit tot een zelfstandig en belangrijk onderdeel van het forensisch onderzoek.

Samenvoeging tot het Nederlands Forensisch Instituut

In 1999 voegen het Gerechtelijk Laboratorium en het Laboratorium voor Gerechtelijke Pathologie zich opnieuw samen. Daarmee ontstaat één instituut: het NFI.

De ontwikkelingen in het forensisch onderzoeksveld blijven doorgaan. Analyses gaan steeds sneller en we kunnen steeds meer met minder sporen. Neem bijvoorbeeld het DNA-onderzoek: in 1999 zorgt een vergelijking van een DNA-profiel met de Nederlands DNA-databank  – die dan pas net is opgericht – meteen voor een doorbraak in een onderzoek naar de verkrachting en moord op een tienermeisje. Onder de nagels van het slachtoffer zit DNA van een onbekende man. Het DNA-profiel wordt opgenomen in de databank en levert een paar maanden later een match op met een verdachte die is opgepakt voor een ander zedenmisdrijf.

Ondertussen vraagt onze groei opnieuw om grotere huisvesting. In 2004 verhuizen we met zo’n 350 medewerkers naar een nieuw pand aan de Laan van Ypenburg in Den Haag, dat een jaar later officieel geopend wordt door koningin Beatrix. De nieuwe locatie biedt ruimte voor moderne labs en gespecialiseerde teams, waarmee we kunnen inspelen op de groeiende vraag naar forensisch onderzoek. 

Aanbouw van het NFI aan de Laan van Ypenburg
Het NFI aan de Laan van Ypenburg in aanbouw.

Het NFI als Rijkskennisinstelling

Het NFI groeit uit van een organisatie die vooral forensisch onderzoek uitvoert tot een (inter)nationaal kennisinstituut. Naast het beantwoorden van onderzoeksvragen in strafzaken en innovatie, richten we ons steeds meer op het ontwikkelen, vastleggen en delen van kennis. Sinds 2015 maakt het NFI deel uit van het Netwerk van Rijkskennisinstellingen (RKI), waarin publieke kennisorganisaties samenwerken aan maatschappelijke vraagstukken door kennis te verbinden en breder toepasbaar te maken.

Heden

Vandaag telt ons instituut meer dan achthonderd medewerkers en leveren we forensisch onderzoek in tienduizenden zaken per jaar. “Waar de Nederlandse forensische wetenschap aan het begin van de vorige eeuw hekkensluiter was, kun je nu wel stellen dat we inmiddels in de kopgroep zijn beland,” zegt Annemieke de Vries, directeur Wetenschap en Technologie. We blijven innoveren en investeren in kennis, technologie en samenwerking met nationale en internationale partners. Samen versterken we het forensisch onderzoek om klaar te staan voor de forensische vraag van morgen.