Sorry, you need to enable JavaScript to visit this website.
Skip to main content

This page is not yet available in English.

This page is currently only available in its original language. You can continue here, or head to the English homepage.

Meer impact, meer zichtbaarheid: het RKI-netwerk in beweging

Background story

Hans Brug, voorzitter van het College van Bestuur van de Universiteit Utrecht, droeg dit jaar de voorzittershamer van het netwerk voor Rijkskennisinstellingen over aan Annemieke de Vries. De Vries is directeur Wetenschap en Technologie bij het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). Ze wil als voorzitter samen met de leden de komende jaren vooral de zichtbaarheid van het netwerk vergroten en de krachten bundelen rondom het thema AI. “Ik ben een RKI’er pur sang. Ik hou ervan als dingen op feitelijkheden zijn gestoeld en wil de kennis uit het RKI-netwerk daar onder de aandacht brengen waar die het meeste impact heeft: aan de beleidstafel.”

Hans Brug en Annemieke de Vries

Nederland telt elf Rijkskennisinstellingen (RKI’s) en drie Planbureaus, die vanuit een onafhankelijke positie Nederlands beleid ondersteunen met betrouwbare, op wetenschappelijk onderzoek gebaseerde kennis. Samen vormen ze het RKI-netwerk dat een brug slaat tussen kennis, samenleving en beleid. Hans Brug was vijf jaar voorzitter voordat hij de hamer overdroeg aan Annemieke de Vries. Brug: “Het feit dat een land als Nederland een rijke verzameling Rijkskennisinstellingen en Planbureaus heeft, dat is goud. Want dat betekent dat kennis een belangrijke rol heeft in beleid en dat hoort bij een goede democratie.”

Hans Brug: “Het feit dat een land als Nederland een rijke verzameling Rijkskennisinstellingen en Planbureaus heeft, dat is goud.''

Kennis voor de samenleving

Brug kijkt met tevredenheid terug op de afgelopen vijf jaar. Een rode draad in zijn loopbaan is kennis voor de samenleving. Brug: “Als voormalig directeur-generaal van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) wilde ik de belangen van het netwerk goed in het vizier houden. Ik heb me als voorzitter vooral ingezet voor meer kennisuitwisseling. De RKI’s weten elkaar inmiddels goed te vinden en trekken samen op. Een hoogtepunt was voor mij de toelating tot bepaalde subsidieprogramma’s, zoals het infrastructuurfonds van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO). Dat was een heel mooi moment. Niet alleen door het resultaat, maar ook omdat onze argumenten weerklank hadden gekregen en het dus niet voor niets was geweest. Ik denk dat het netwerk in de afgelopen vijf jaar een prominentere plek heeft gekregen in het Nederlands kennislandschap.”

Het Nederlandse kennislandschap

Dat Nederlandse kennislandschap kent grofweg drie belangrijke pijlers: de academische onderwijsinstellingen zoals universiteiten en hogescholen, de instellingen voor Toegepast Onderzoek (TO2-instellingen) zoals Deltares of TNO, en de RKI’s. Tussen deze pijlers bestaat veel overlap, maar in grote lijnen werken de universiteiten aan de ontwikkeling van fundamentele kennis en de toepassing daarvan, richten de TO2-instellingen zich sterk op innovatie, en genereren en delen de RKI’s kennis voor beleid. De Vries, voormalig kankeronderzoeker, is van huis uit wetenschapper. Vanaf 2000 bekleedde ze verschillende managementfuncties bij het RIVM. In 2018 stapte ze over naar het NFI. De Vries: “Onder het voorzitterschap van Hans is er meer samenhang gekomen in het kennislandschap in Nederland. De banden met de TO2’s zijn versterkt, net zoals die met de academische onderwijsinstellingen. Ik ga door op die ingeslagen weg. Tegelijkertijd wil ik graag dat we als RKI-netwerk nog zichtbaarder worden en zo de impact van onze kennis vergroten.”

Zichtbaarheid RKI-netwerk

De Vries heeft al een aantal concrete stappen gezet om die zichtbaarheid te vergroten. “Onze Rijksinstellingen en Planbureaus moeten beter op het netvlies komen te staan van beleidsmakers op de departementen. Het is nu nog niet altijd vanzelfsprekend dat wij daar aan tafel aanschuiven of bevraagd worden. Ik ben de mogelijkheden aan het verkennen om  vaker in gesprek komen met de secretarissen-generaal (SG’s) van de departementen tijdens hun periodieke overleg. Daar valt nog veel winst te behalen. Daarnaast zoeken we intensiever de samenwerking met het samenwerkingsverband Parlement & Wetenschap, dat wetenschappelijke inzichten deelt met tweede kamerleden. Maar we moeten zelf ook die stap vooruit doen en onze kennis beter voor het voetlicht te brengen. Daarom hebben we binnen het RKI-netwerk een gezamenlijk leer-werktraject opgezet voor onze wetenschappelijk medewerkers: ‘Accelerate Your Impact’. Dit geeft deelnemers handreikingen, adviezen en een theoretisch kader om de impact van hun onderzoek te vergroten.”

Annemieke de Vries: ''Onze Rijksinstellingen en Planbureaus moeten beter op het netvlies komen te staan van beleidsmakers op de departementen.''

Samenwerking

Zowel De Vries als Brug laten meerdere keren het woord samenwerking vallen. Het is een van de speerpunten van het RKI-netwerk. De Vries: “We zoeken als RKI’s de samenwerking onderling al steeds meer op, maar dat kan altijd beter. Juist nu. We hebben te maken met grote uitdagingen zoals taakstellingen, desinformatie en zorgen over weerbaarheid. Samen kunnen we meer en staan we sterker. Dat geldt bijvoorbeeld ook voor moeilijke vraagstukken rondom digitalisering en het gebruik van artificiële intelligentie (AI). AI biedt kansen voor onderzoek en wetenschap, maar er komen ook veel uitdagingen bij kijken. AI is dan ook een van de hoofdthema’s die we nu hebben opgepakt, daar moeten we echt mee aan de slag. Hoe wissel je veilig data uit binnen het kennislandschap en wat voor infrastructuur hebben we nodig als we dat verantwoord willen doen? Hoe ga je als bestuurder om met de snelheid van de AI-ontwikkelingen, met het enthousiasme van onderzoekers om AI toe te passen en de (inter)nationale wet- en regelgeving? Dat soort vragen moeten we als netwerk adresseren.”

AI en digitalisering

De ontwikkeling van AI gaat razendsnel. Veel medewerkers van de Rijkskennisinstellingen en Planbureaus gaan AI gebruiken, of doen dat al. De overheid loopt met haar richtlijnen per definitie altijd achter op de voortdurend veranderende onderzoekspraktijk. Daarom heeft zich binnen het RKI-netwerk een groep verenigd die zich bezighoudt met AI-vraagstukken. De Vries: “Met die groep hebben we ook al brieven gestuurd naar het ministerie van Binnenlandse Zaken (BZK), omdat er bepaalde richtlijnen naar buiten kwamen over AI die de onderzoeksambitie van ons als RKI-netwerk zouden blokkeren.” Brug vult aan: “De makers van die richtlijnen hebben, terecht en begrijpelijk, rijksambtenaren in hun hoofd als ze die opstellen. Maar dergelijke richtlijnen kunnen wetenschappelijk onderzoekers enorm in de weg zitten. Dat kan ertoe leiden dat we niet meer de best mogelijke kennis leveren voor beleid.” 

Ruimte voor verschillen

Behalve overeenkomsten en gezamenlijke doelen zijn er ook grote verschillen tussen de leden van het RKI-netwerk. Het gaat van grote instellingen, zoals Rijkswaterstaat tot Planbureaus, zoals het Planbureau voor de Leefomgeving, tot een agentschap zoals het NFI.  Brug: “We praten nu vooral over de gezamenlijkheid, maar het is ook een enorm divers gezelschap, met grote onderlinge verschillen. Daar moet ook ruimte voor blijven: verbinden waar kan, maar ook ieders eigenheid bewaken.” Dat beaamt De Vries. “Niet iedereen hoeft op elk onderwerp aangehaakt te zijn, het is geen verplichting. Over samenwerking op het thema AI is iedereen wel enthousiast. Maar er zijn ook wel onderwerpen, die een aantal RKI’s minder aanspreken. Dan is er bijvoorbeeld een opt-out-procedure bij het ondertekenen van brieven. Zo kunnen we snelle slagen maken met een kleiner deel van het netwerk.”

Een flexibel netwerk

Die flexibiliteit kenmerkt het RKI-netwerk. Er zijn geen statuten en geen regelementen. Brug: “Ons netwerk draait veel meer om invloed dan om macht. En die invloed komt vanuit de inhoud. Iedereen waakt ervoor een papieren tijger te worden.” De basis van het netwerk bestaat uit drie vergaderingen per jaar waarbij de directeuren samenkomen. De Vries, lachend: “Maar die vergaderingen kosten me nog het minste tijd. Je neemt niet alleen het voorzitterhamertje over, het is een heel pakket. Er zit een secretariaat onder, dat heb ik bij het NFI ook moeten inrichten. Er zijn onderlinge overleggen tussen de directeuren, allemaal drukbezet, en tussen de contactpersonen. Wat ook nog een belangrijke taak is voor de voorzitter: je moet in het zicht blijven en het vuurtje aanhouden bij zaken die al lopen. Daar ligt ook een grote verantwoordelijkheid.”

Geheugen

De kennis die de RKI’s in de loop van de tijd hebben verzameld is niet alleen onafhankelijk, maar ook robuust. De wetenschappers die zich jaar na jaar toeleggen op onderzoek en kennisvergaring vormen samen een geheugen dat goed van pas komt bij langetermijnbeleid, maar ook bij onverwachte scenario’s. Zo had het RIVM al veel ervaring opgedaan met het analyseren van rioolwater op geneesmiddelenresten en bacteriën in de jaren voor de COVID-pandemie. Al die ervaring en kennis kon meteen worden ingezet bij het monitoren van de aanwezigheid van coronavirusdeeltjes. Zo kon worden bijgehouden waar het coronavirus in Nederland rondging, en in welke mate. Brug: “Al die kennis in het netwerk vormt een soort humuslaag. Waar je nieuwe kennisplantjes op kunt laten bloeien. Maar als je die humuslaag niet hebt, groeien die nieuwe plantjes niet zo goed. En dat is het collectieve geheugen dat je goed moet onderhouden. Juist in een tijd van grote veranderingen.”

Bezuinigingen

Wat staat er op het spel voor het RKI-netwerk als de taakstellingen doorgaan? De Vries: “De taakstellingen maken de noodzaak tot samenwerking tussen de leden van het RKI-netwerk groter. We moeten nog meer inzetten op gezamenlijk gebruik van faciliteiten en het versterken van onze infrastructuur. We benadrukken naar het ministerie toe vooral dat het noodzakelijk is om een strategisch plan voor de taakstellingen te maken, in plaats van de kaasschaafmethode toe te passen. Kort niet automatisch op innovatie en kennis, die politiek gezien vaak minder prominent in beeld zijn dan de uitvoeringstaken, want dan zak je door het ijs op bepaalde gebieden. Welke kennis moeten wij op peil houden? Welke kennis is onmisbaar en welke kunnen we in de samenwerking met de universiteiten behouden? Ik hoop dat de beslissingen goed doordacht genomen worden. Want kennis die verdwijnt, krijg je niet zo snel meer terug. Dat zou eeuwig zonde zijn.”