Verdund bloed op een schoen, spatten tegen de muur of een grotere vlek op de grond: tijdens een incident kan bloed zich op verschillende manieren vormen en verspreiden. Bloedsporen vertellen niet alleen van wie het bloed is, maar kunnen ook inzicht geven in wat er is gebeurd en in welke volgorde.
Wat is forensisch bloedspoorpatroononderzoek?
Onderzoek aan bloedspoorpatronen vindt plaats op de plaats delict of in het laboratorium, bijvoorbeeld op kleding, wapens of andere voorwerpen die de politie heeft veiliggesteld. Daarnaast onderzoekt het NFI ook bloedsporen op basis van foto’s van de plaats delict die door de forensische opsporing van de politie zijn gemaakt.
Onderzoekers van het NFI bestuderen de bloedsporen en proberen te bepalen hoe deze zijn ontstaan. De vorm, grootte en verspreiding van bloedsporen ontstaan niet toevallig, maar hangen samen met wat er is gebeurd. Zo maakt het verschil of bloed uit een verwonding heeft gedruppeld, of dat er is geslagen of geschoten.
Omdat bloed op een voorspelbare manier reageert op dit soort gebeurtenissen, kunnen onderzoekers beoordelen welke bloedspoorpatronen het beste passen bij verschillende scenario’s van het Openbaar Ministerie en de verdediging.
Een voorbeeld: mishandeling of reanimatie
Na een melding van geschreeuw gaat de politie naar een woning. Daar treffen zij een overleden persoon aan in een plas bloed. Kort daarna houden agenten een buurman aan met bebloede kleding.
De buurman verklaart dat hij het slachtoffer bloedend aantrof en probeerde te helpen. De politie vermoedt echter dat hij het slachtoffer heeft mishandeld. Er is sprake van een burenruzie en de buurman wordt als verdachte aangemerkt. Het Openbaar Ministerie vraagt het NFI om de bloedsporen op de plaats delict en op de kleding van het slachtoffer en de verdachte te onderzoeken.
Onderzoeksvragen
- Kunnen de bloedsporen op de plaats delict en/of kleding iets zeggen over wat er is gebeurd, in welke volgorde, en binnen welke mogelijke scenario’s?
- Is er bloed aanwezig dat niet van het slachtoffer is, mogelijk van een onbekende dader?
- Passen de bloedsporen beter bij een mishandeling of reanimatie?
Onderzoeksmethoden
Onderzoekers bekijken de bloedsporen op de plaats delict en op de kleding met het blote oog en onder de microscoop. Voor moeilijk zichtbare sporen op bijvoorbeeld donker gekleurde kleding gebruiken ze speciale fotografietechnieken, zoals infrarood.
Zij testen of het daadwerkelijk om bloed gaat en nemen monsters voor DNA-onderzoek om vast te stellen van wie het bloed afkomstig is. Ook kunnen zij monsters nemen voor RNA-onderzoek om te bepalen of er speeksel of orgaanweefsel, zoals hersenweefsel, aanwezig is.
Bij de beoordeling van de bloedspoorpatronen gebruiken onderzoekers informatie zoals foto’s en 3D-scans van de plaats delict. Ook kijken zij naar het medisch dossier van het slachtoffer en naar verklaringen van de verdachte, hulpdiensten en andere betrokkenen. Zo kunnen ze de relatie tussen patronen en gebeurtenissen beter verklaren.
Mogelijke uitkomsten
Op de plaats delict zijn verschillende bloedspoorpatronen aangetroffen die zijn ontstaan door uitgeoefende kracht, bijvoorbeeld door slaan en schoppen tijdens een worsteling. Rond het hoofd van het slachtoffer ligt een bloedpoel die past bij een hoofdwond.
Op de plaats delict en op de kleding van het slachtoffer is naast bloed van het slachtoffer ook bloed van een onbekend persoon gevonden. Het bloed op de kleding van de verdachte blijkt afkomstig te zijn van het slachtoffer.
De vorm, verspreiding en locatie van de bloedsporen op de kleding van de verdachte zijn te verwachten bij een reanimatie. Dit resultaat, in combinatie met het aantreffen van bloed van een onbekend persoon op zowel de plaats delict als op de kleding van het slachtoffer, past beter bij de verklaring van de verdachte dat hij alleen heeft geprobeerd het slachtoffer te helpen dan bij het scenario dat hij het slachtoffer heeft mishandeld.